<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:905</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T20:45:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/01589</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:422" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:422</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2019/780</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2019-0269</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:905">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:905</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-18T14:15:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:905 Hoge Raad , 18-06-2019 / 18/01589</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:905:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklag, beslag ex art. 94 Sv onder klager op een personenauto die als gestolen stond gesignaleerd. Aan haar oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard heeft de Rb ten grondslag gelegd dat een ander “meer dan klager (...) in staat [is] geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende”. Dat oordeel is niet begrijpelijk. Rb heeft vastgesteld dat de auto is inbeslaggenomen onder klager. Dat brengt mee dat de auto aan de klager had moeten worden teruggegeven tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd. Het kennelijke oordeel van de Rb dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd behoeft nadere motivering. Volgt vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:905:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>18 juni 2019</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 18/01589 B</para>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold" />
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2018, nummer RK 18/48, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [klager]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft D.R. Kops, advocaat te Breukelen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan. </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">2.	Beoordeling van het middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De Rechtbank heeft het klaagschrift strekkende tot teruggave van de onder de klager inbeslaggenomen personenauto ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:</para>
        <para>"Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Maatstaf</para>
        <para>Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De rechtbank dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feiten en omstandigheden</para>
        <para>Op 8 januari 2018 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde personenauto.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Overwegingen</para>
        <para>Klager, onder wie de auto in beslag genomen is, stelt dat de inbeslagneming onrechtmatig is en maakt bezwaar dat de auto daarna aan [belanghebbende] in bewaring is gegeven.</para>
        <para>De rechtbank overweegt daarover het volgende. Meer dan klager is [belanghebbende] in staat geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Conclusie</para>
        <para>De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en dat de inbeslaggenomen personenauto in de bewaring van [belanghebbende] moet blijven."</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1.</nr>
        <para>De Rechtbank heeft, na vooropstelling van deze maatstaf, aan haar oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard ten grondslag gelegd dat [belanghebbende] "meer dan klager (...) in staat [is] geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende".</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2.</nr>
        <para>Dat oordeel is niet begrijpelijk. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de auto is inbeslaggenomen onder de klager. Dat brengt mee dat de auto aan de klager had moeten worden teruggegeven tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd, behoeft nadere motivering, welke ontbreekt.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het middel is terecht voorgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>vernietigt de bestreden beschikking;</para>
      <para>wijst de zaak terug naar de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">18 juni 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>