<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:23:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00845</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:445" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gedeeltelijk contrair">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:445, Gedeeltelijk contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2019/1272</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2019/227</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2019/673</rdf:li>
          <rdf:li>RFR 2019/106</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2020/13.1</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:815">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-24T11:51:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:815 Hoge Raad , 24-05-2019 / 19/00845</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:815:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet Bopz. Voorlopige machtiging ten aanzien van betrokkene die verblijft in instelling, niet zijnde psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Moet geneeskundige verklaring worden ondertekend door de psychiater die betrokkene heeft onderzocht? Art. 5 lid 1 Wet Bopz.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:815:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> <emphasis role="bold">HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">CIVIELE KAMER</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/00845                </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum   </emphasis>	24 mei 2019</para>
    <para />
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BESCHIKKING</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [betrokkene] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] , </para>
    <para>VERZOEKSTER tot cassatie,</para>
    <para>hierna: betrokkene,</para>
    <para>advocaat: mr. G.E.M. Later,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET NOORD-NEDERLAND.<?linebreak?>VERWEERDER in cassatie,</para>
    <para>hierna: de officier van justitie,</para>
    <para>niet verschenen.</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1.	Procesverloop </emphasis>
    </para>
    <para>Voor het procesverloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/19/124806/FA RK 18-2174 van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2018. Betrokkene heeft tegen de beschikking beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
    <para>De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
    <para>De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Noord-Nederland.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
        <para>(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op de voet van art. 2 Wet Bopz verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene verbleef op dat moment op vrijwillige basis in Kliniek Vossenloo van VNN (Verslavingszorg Noord Nederland).</para>
        <para>(ii) Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd van de psychiater [betrokkene 1] , die betrokkene heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling was betrokken. De verklaring is slechts ondertekend door [betrokkene 2] , de eerste geneeskundige van Kliniek Vossenloo. </para>
        <para>(iii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene, haar advocaat en de behandelend psychiater.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het middel klaagt dat de geneeskundige verklaring niet voldoet aan de ingevolge art. 5 lid 1 Wet Bopz daaraan te stellen eisen. Volgens het middel had de verklaring ondertekend moeten worden door de psychiater die het onderzoek ten behoeve van de verklaring heeft verricht, en niet door de eerste geneeskundige van Kliniek Vossenloo. Het middel voert daartoe onder meer aan dat Kliniek Vossenloo geen Bopz-kliniek is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz moet de officier van justitie ingevolge art. 5 lid 1, eerste volzin, Wet Bopz een verklaring overleggen van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was. Art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz bepaalt voor het in art. 2 lid 4 Wet Bopz bedoelde geval van beëindiging van vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, dat een verklaring moet worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft. </para>
        <para>Art. 5 lid 1 Wet Bopz houdt verder onder meer in dat de geneeskundige verklaring moet zijn ondertekend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Ten tijde van de bestreden beschikking verbleef betrokkene in Kliniek Vossenloo, een zorginstelling die niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.4). Op het vrijwillig verblijf van betrokkene in Kliniek Vossenloo is art. 2 lid 4 Wet Bopz derhalve niet van toepassing en art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz dus evenmin.</para>
        <para>Dit brengt mee dat ingevolge art. 5 lid 1, eerste volzin, Wet Bopz de geneeskundige verklaring had moeten zijn ondertekend door de psychiater die deze verklaring heeft opgesteld. Het middel is dus gegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2018;</para>
      <para>- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op <emphasis role="underline">24 mei 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>