<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:680</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T00:41:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/04337</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/1082</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/23.19</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/1176 met annotatie van Sara Verkaik</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2019/224 met annotatie van L.J. Boone</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2019/105</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2019/1214 met annotatie van H. Arling</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-1278</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019051013</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:680">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:680</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-08T09:11:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:680 Hoge Raad , 10-05-2019 / 18/04337</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:680:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>art. 8:75a Awb; vergoeding kosten van bezwaar en beroep na intrekken beroepschrift</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:680:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>10 mei 2019</para>
    <para>Nr. 18/04337</para>
    <para />
    <para>Arrest </para>
    <parablock>
      <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">[X]</emphasis> te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de <emphasis role="underline">Rechtbank Den Haag</emphasis> van 5 oktober 2018, nr. SGR 17/6114 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 12 april 2018 betreffende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Den Haag. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>	Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para>	Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>	Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Den Haag opgelegd. Nadat de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag ongegrond had verklaard en belanghebbende daartegen beroep had ingesteld bij de Rechtbank, heeft de heffingsambtenaar de aanslag ambtshalve vernietigd. Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om vergoeding van proceskosten. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan zonder zitting (artikel 8:54 Awb) en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van € 501 voor het indienen van het beroep bij de Rechtbank.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In verzet heeft belanghebbende gesteld dat de Rechtbank heeft verzuimd de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van de bezwaarfase. Het verzet is ongegrond verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In cassatie is niet in geschil dat de in 2.1 vermelde uitspraak van de Rechtbank niet in stand kan blijven en dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding in verzet voor de Rechtbank en de kosten voor de behandeling van het bezwaar.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad: </para>
      <para>verklaart het beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>vernietigt de uitspraak op verzet en de uitspraak van de Rechtbank,</para>
      <para>draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 126 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, </para>
      <para>	veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en</para>
      <para>	veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 768 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in verband met de behandeling van het bezwaar, vastgesteld op € 254 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>