<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:56</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T14:36:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03317</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2018:1302" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1302</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2018:6095" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:6095</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/120</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/0253 met annotatie van Mark Smits</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/7.17</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2019/69 met annotatie van L.J. Boone</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2019/52</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2019/43 met annotatie van J. Schep</rdf:li>
          <rdf:li>Gst. 2019/50 met annotatie van J.C. Scherff</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2019/162 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-0136</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019011803</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:56">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:56</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-17T12:41:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:56 Hoge Raad , 18-01-2019 / 18/03317</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:56:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 234, lid 3, Gemeentewet, naheffing parkeerbelasting bij parkeertijd van minder dan een uur.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:56:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>18 januari 2019</para>
    <para>Nr. 18/03317</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum</emphasis> tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis> van 3 juli 2018, nr. 17/01279, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 17/1596) betreffende een aan <emphasis role="underline">[X]</emphasis> te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>	Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2018:1302).</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klachten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Belanghebbende heeft op 29 maart 2017 een personenauto geparkeerd op een in de gemeente Hilversum gelegen plek waar op dat tijdstip alleen tegen betaling kon worden geparkeerd. </para>
          <para>	Bij een parkeerautomaat heeft belanghebbende € 1 parkeerbelasting betaald; het bewijs van die betaling vermeldt 13.58 uur als begintijd en 14.21 uur als eindtijd.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2.</nr>
        <para>Bij controle bleek de auto die dag om 14.24 uur (nog) op die plek geparkeerd te staan. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,50, bestaande uit € 2,60 aan nageheven belasting en € 60,90 aan administratieve kosten. Het bedrag van € 2,60 was het parkeertarief per uur.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 verminderd, overwegende dat belanghebbende € 1 heeft betaald voor een periode die geheel valt binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven, te weten 13.24 uur tot en met 14.24 uur, terwijl de naheffing volgens artikel 20 AWR alleen betrekking kan hebben op de niet betaalde belasting.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <para>De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum stelde zich in het door hem ingestelde hoger beroep op het standpunt dat het na te heffen bedrag volgens artikel 234, lid 3, Gemeentewet gelijk is aan het tarief voor één uur parkeren, tenzij een langere parkeerduur aannemelijk is.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3.</nr>
        <para>Het Hof heeft uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wettelijke bepaling afgeleid dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting naar evenredigheid moet worden verlaagd indien duidelijk is dat de periode waarover de parkeerbelasting verschuldigd is minder dan een uur beloopt. Op die grond heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>Naar aanleiding van de tegen deze uitspraak gerichte klachten overweegt de Hoge Raad als volgt.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2.</nr>
        <para>Artikel 234, lid 3, Gemeentewet bepaalt dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting wordt berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. De tekst van deze bepaling duidt erop dat in een geval als het onderhavige forfaitair wordt nageheven op basis van een parkeerduur van een uur. Daarmee is erin voorzien dat de naheffing niet behoeft te worden beperkt tot de te weinig betaalde belasting zoals bedoeld in artikel 20, lid 1, AWR. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3.</nr>
        <para>Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 234, lid 3, Gemeentewet (zie de onderdelen 5.3 tot en met 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) is af te leiden dat de gemeentelijke wetgever de keuze is  gelaten om te bepalen dat, uit een oogpunt van doelmatigheid, forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven, dan wel te bepalen dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur die is verstreken bij de constatering dat zonder betaling is geparkeerd. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.4.</nr>
        <para>In de toepasselijke verordening is ervoor gekozen forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur na te heffen. De heffingsambtenaar heeft dus terecht de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.5.</nr>
        <para>De klachten treffen doel. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.	</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>	De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad:</para>
      <para>	verklaart het beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>	vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en</para>
      <para>	verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>