<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:24</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:09:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03798</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2018:1364" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1364</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2019/170</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2019/53</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2019/147</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2019-0083</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2019/42</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:24">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:24</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-12T10:24:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:24 Hoge Raad , 08-01-2019 / 18/03798</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:24:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Marokkaanse nationaliteit) naar Marokko t.z.v. verduistering van gemeenschapsgeld en privégelden die hem in bewaring zijn gegeven o.g.v. zijn functie als thesaurier op douanekantoor, vervalsen van documenten uitgegeven door overheid en valsheid in geschrift m.b.t. informatica documenten. Mag Rb bij beoordeling uitleveringsverzoek verdragsgrondslag wijzigen? Kennelijk en terecht heeft Rb geoordeeld dat verdrag genoemd in uitleveringsverzoek (Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko) geen basis biedt voor uitlevering. Zij heeft nochtans de uitlevering toelaatbaar verklaard o.g.v. het in art. 51a.2 Uitleveringswet genoemde Verdrag tegen corruptie. Middel steunt op de opvatting dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend mag worden beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat door de verzoekende Staat in het uitleveringsverzoek is vermeld en dat Rb daarom de verzochte uitlevering ten onrechte mede heeft getoetst aan Verdrag tegen corruptie. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht. Volgt verwerping.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:24:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>8 januari 2019</para>
    <para>nr. S 18/03798 U</para>
    <para>JW</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, </para>
      <para>van 8 juni 2018, nummer [001] , op een verzoek van het Koninkrijk Marokko tot uitlevering van:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [de opgeëiste persoon]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1976.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De bestreden uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan het Koninkrijk Marokko toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van - naar de Hoge Raad begrijpt - de feiten zoals omschreven in het "Exposé détaillé des faits imputés à l'accusé [de opgeëiste persoon] " van de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Marrakesh (Marokko) van 14 mei 2018.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">2.	Geding in cassatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para>De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het eerste middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het tweede middel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek ten onrechte de verdragsgrondslag waarop het berust, heeft gewijzigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hiervoor onder 1 genoemde Exposé houdt in een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon, "Vu la convention signée à Rabat le 20-09-2010 entre le Royaume du Maroc et le Royaume des Pays-Bas dans le domaine de l'extradition", waarmee klaarblijkelijk is bedoeld het op 20 september 2010 te Rabat tot stand gekomen Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 2010, 285).</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Kennelijk en terecht heeft de Rechtbank geoordeeld dat dit verdrag geen basis biedt voor uitlevering. Zij heeft nochtans de uitlevering toelaatbaar verklaard op grond van het in het tweede lid van art. 51a van de Uitleveringswet genoemde, op 31 oktober 2003 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen corruptie (Trb. 2005, 244).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het middel steunt op de opvatting dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend mag worden beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat door de verzoekende Staat in het uitleveringsverzoek is vermeld en dat de Rechtbank daarom de verzochte uitlevering ten onrechte mede heeft getoetst aan voormeld Verdrag tegen corruptie. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het middel faalt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">8 januari 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>