<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1810</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-04T10:08:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/02296</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:875" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:875</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2019-0412</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2019/2793</rdf:li>
          <rdf:li>JOW 2019/29</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2020/29</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/56</rdf:li>
          <rdf:li>JOW 2020/9</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1810">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1810</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-03T15:02:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1810 Hoge Raad , 03-12-2019 / 19/02296</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1810:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedrag onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel dan wel Europees bevriezingsbevel van Belgische RC. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Rb heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat onder klager gelegd conservatoir beslag op € 740,15 is gelegd o.g.v. Europees bevriezingsbevel. Volgens in Titel 5 ”Europees bevriezingsbevel” opgenomen art. 5.5.6.1 1 Sv zijn enkele bepalingen uit Titel IX ”Beklag” van dat wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaronder is echter uitdrukkelijk niet begrepen art. 552.2 Sv. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan klager in ingesteld beroep niet worden ontvangen. Volgt n-o verklaring in cassatieberoep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1810:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/02296</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		3 december 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 19 maart 2019, nummer RK 19/732, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klager], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,</para>
      <para>hierna: de klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde beroep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van de Rechtbank, waarin het door de klager ingestelde beklag tegen de inbeslagname onder hem van een geldbedrag van in totaal € 740,15 ongegrond is verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:</para>
        <para>“Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Belgische onderzoeksrechter te Brugge is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 29 januari 2019 binnengetreden in de woning van klager voor doorzoeking ter inbeslagneming. Onder klager is  na machtiging van de rechter-commissaris tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 20.000,- op grond van een bevriezingsbevel - beslag gelegd op een roze tas met een geldbedrag van in totaal € 485,00 in verschillende coupures, alsmede een geldbedrag van € 255,15 aan muntgeld. Deze tas werd aangetroffen in een kast in de slaapkamer van klager. Klager wordt verdacht van twee diefstallen, begaan in 2016 in België.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een certificaat als bedoeld in art. 9 Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken betreffende onder andere de klager. Dit certificaat houdt onder meer het volgende in:</para>
        <para>“Gegevens betreffende het voorwerp of bewijsstuk in de tenuitvoerleggingstaat waarop de beslissing tot bevriezing betrekking heeft: <?linebreak?>(...) <?linebreak?>Inbeslagname van gelden: <?linebreak?>(...) een maximum totaal bedrag van 20.000,00 euro (...). <?linebreak?>Exacte locatie van het voorwerp of bewijsstuk (...): <?linebreak?>Niet gekend, mogelijk op verblijfplaats (...).”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>De volgende wettelijke bepalingen zijn in het bijzonder van belang.</para>
        <para>- Art. 552d, tweede lid, Sv:</para>
        <para>“Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.”</para>
        <para>- Art. 5.5.6, eerste lid, Sv:</para>
        <para>“De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, (...).”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De Rechtbank heeft - niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is weergegeven - vastgesteld dat het onder de klager gelegde conservatoir beslag op een geldbedrag van in totaal € 740,15 is gelegd op grond van een Europees bevriezingsbevel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Volgens het in Titel 5 ‘Europees bevriezingsbevel’ opgenomen art. 5.5.6, eerste lid, Sv zijn enkele bepalingen uit Titel IX ‘Beklag’ van dat wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaronder is echter uitdrukkelijk niet begrepen art. 552d, tweede lid, Sv.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan de klager in het ingestelde beroep niet worden ontvangen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">3 december 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>