<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1781</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T08:59:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00471</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:948" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:948</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2018:5348" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:5348</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/2541</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/2522 met annotatie van Joost Vetter</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/55.23 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2020/18 met annotatie van M. Lambregts</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingadvies 2020/3.6</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2020/55 met annotatie van J.A.R. van Eijsden</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2019/2870 met annotatie van dr. D. Molenaar</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-2953</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019111518</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1781">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1781</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-14T08:44:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1781 Hoge Raad , 15-11-2019 / 19/00471</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1781:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artt. 20 en 65 AWR; in strijd met beleid van staatssecretaris van Financiën ambtshalve verlenen van teruggaaf van belasting; is inspecteur bevoegd die belasting na te heffen?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1781:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/00471</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>	15 november 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 december 2018, nrs. 17/00579 tot en met 17/00581, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/4214 tot met BRE 16/4216) betreffende aan belanghebbende over tijdvakken in de jaren 2008 tot en met 2011 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 september 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:948).</para>
      <para>Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het middel berust op de opvatting dat belasting die op de voet van artikel 65 AWR is teruggegeven, op grond van artikel 20 AWR kan worden nageheven uitsluitend omdat de belasting is teruggegeven in strijd met het beleid zoals neergelegd in het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven<footnote-ref linkend="_4e1aeb46-8bd3-4eea-a9c7-9a1e1d078fb7" />. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het middel faalt. Artikel 20 AWR strekt ertoe dat de inspecteur te weinig betaalde belasting kan naheffen die op aangifte behoorde te worden voldaan of afgedragen. Deze bepaling biedt de inspecteur niet de mogelijkheid om teruggegeven bedragen aan belasting na te heffen indien een teruggaaf niet ertoe heeft geleid dat te weinig belasting is betaald. Dat geldt ook indien de teruggaaf is verleend op de voet van artikel 65 AWR maar niet in overeenstemming is met het door de Belastingdienst bij de toepassing van dat artikel gehanteerde beleid.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad: </para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en</para>
      <para>- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.920 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4e1aeb46-8bd3-4eea-a9c7-9a1e1d078fb7" label="1">
    <para> Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M, Stcrt. 2010, 20999 (oud).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>