<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T08:57:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03677</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2018:3058" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:3058</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/2498</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/54.4</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/2585 met annotatie van Wouter Antonisse</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2020/2</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2019/3102 met annotatie van Dr. W. Bruins Slot</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-2890</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019110802</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1687">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-31T15:40:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1687 Hoge Raad , 08-11-2019 / 18/03677</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1687:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Inkomstenbelasting. Artt. 3.34 en 3.45, lid 1, letter d, Wet IB 2001. Art. 7 Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Willekeurige afschrijving. Investeringen door startende ondernemers. Woonhuizen. Bed &amp; Breakfast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1687:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	18/03677</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>8 november 2019</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juli 2018, nrs. 16/03775 en 16/03776, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 15/6603 en 15/6604,) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.<?linebreak?>De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.<?linebreak?>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. <?linebreak?>Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in de onderhavige jaren (2012 en 2013) in de vorm van een commanditaire vennootschap onder meer drie appartementen als Bed &amp; Breakfast (hierna: B&amp;B). Elk appartement bestaat uit een woon- en eetkamer, een separate keuken, een slaapkamer en een badkamer. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de appartementen niet de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers van artikel 3:34 Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, mag toepassen omdat sprake is van een van aftrek uitgesloten investering in woonhuizen als bedoeld in artikel 3.45, lid 1, letter d, Wet IB 2001 (tekst 2012 en 2013). Volgens het Hof zijn de appartementen, ook binnen het kader van het B&amp;B-bedrijf van belanghebbende, naar hun aard en inrichting woningen en zijn zij ook bestemd om als woning te worden gebruikt. Het Hof heeft geoordeeld dat de tijdelijkheid van de bewoning en de omstandigheid dat de appartementen voor andere doeleinden niet worden aangemerkt als woning, niet maakt dat die bestemming is gewijzigd en dat de appartementen daardoor hun hoedanigheid van woonhuis niet verliezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of de appartementen zijn te beschouwen als woonhuizen in de zin van artikel 3:45, lid 1, letter d, Wet IB 2001 heeft het Hof terecht vooropgesteld dat bepalend is of de appartementen opstallen zijn die naar aard en inrichting woningen zijn, en zijn bestemd om als zodanig te worden gebruikt<footnote-ref linkend="_3ef0f4dc-c1dc-4827-9dbd-9628976ceea1" />. De hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof zijn voor het overige verweven met waarderingen van feitelijke aard en zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt daarom.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>	De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3ef0f4dc-c1dc-4827-9dbd-9628976ceea1" label="1">
    <para> Vgl. HR 8 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8282. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>