<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1592</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:35:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/00965</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:855" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:855</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2019-0369</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2019/1158</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2019/347</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1592">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1592</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-04T13:43:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1592 Hoge Raad , 05-11-2019 / 18/00965</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1592:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Witwassen door bij aankomst op vliegveld in Eindhoven herkomst van geldbedrag te verhullen, art. 420bis.1.a Sr. Schending art. 353.1 Sv door geen beslissing te nemen t.a.v. inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag? Onder verdachte is ex art. 94 Sv geldbedrag van € 37.350,- in beslaggenomen, terwijl Hof aan verdachte o.m. geldboete heeft opgelegd van € 37.350,- en in dat verband heeft overwogen dat het aan verdachte geldboete oplegt “ter hoogte van het onder hem in beslag genomen bedrag”. Gelet hierop moet bestreden uitspraak aldus worden begrepen dat Hof geldboete van € 37.350,- heeft opgelegd met het oog op mogelijkheid van verhaal van die boete op inbeslaggenomen geldbedrag. A.g.v. kennelijke misslag heeft Hof echter niet vermeld dat het teruggave gelast van dat geldbedrag aan verdachte. HR verstaat bestreden uitspraak aldus dat Hof teruggave heeft gelast van inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan verdachte. HR merkt nog op dat deze beslissing niet uitsluit dat een terug te geven bedrag kan worden verrekend met een te betalen geldboete. CAG (anders t.a.v. wijze van afdoening): Klacht over beslissingsverzuim is gegrond maar geen cassatie bij gebrek aan belang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1592:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	18/00965</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		5 november 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2018, nummer 20/001822-17, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de gevangenisstraf wegens inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste en het tweede middel</title>
    <para>De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. </para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het derde middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing heeft genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 37.350,-. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Blijkens het aan de Hoge Raad gezonden proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming, met nr. PL 27YZ/16-066903, is onder de verdachte een geldbedrag van € 37.350,- met toepassing van art. 94 Sv in beslag genomen. De stukken van het geding houden niet in dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte is teruggegeven.</para>
      <paragroup>
        <nr>3.3.1</nr>
        <para>Het Hof heeft aan de verdachte onder meer een geldboete opgelegd van € 37.350,-, subsidiair 221 dagen hechtenis. Het Hof heeft in dat verband overwogen dat het aan de verdachte een geldboete oplegt “ter hoogte van het onder hem in beslag genomen bedrag”.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2</nr>
        <para>Gelet hierop moet de bestreden uitspraak aldus worden begrepen dat het Hof de geldboete van € 37.350,- heeft opgelegd met het oog op de mogelijkheid van verhaal van die boete op het inbeslaggenomen geldbedrag. Als gevolg van een kennelijke misslag heeft het Hof echter niet in zijn arrest vermeld dat het Hof de teruggave gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte. De Hoge Raad zal die misslag herstellen, door de bestreden uitspraak aldus te verstaan dat het Hof als zijn beslissing de teruggave heeft gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Door deze verbeterde lezing komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Terzijde merkt de Hoge Raad op dat deze beslissing niet uitsluit dat een terug te geven bedrag kan worden verrekend met een te betalen geldboete.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het vierde middel</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad: </para>
      <para>- verstaat de bestreden uitspraak aldus dat het Hof de teruggave heeft gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte; </para>
      <para>- verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">5 november 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>