<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1423</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T08:51:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00442</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2019:90" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:90</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/2114</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/2153 met annotatie van Jits Berns</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/46.15</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2019/170</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2019/402 met annotatie van A.W. Schep</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2019/2480 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-2494</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019092701</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1423">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1423</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-25T08:31:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1423 Hoge Raad , 27-09-2019 / 19/00442</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1423:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 8:37, lid 1, 8:74 en 8:75 Awb. In hoger beroep niet vastgesteld of de uitnodiging voor de zitting bij de Rechtbank op de voorgeschreven wijze is verzonden; proceskosten en griffierecht ter zake van het hoger beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1423:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/00442</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>	27 september 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 januari 2019, nr. BK-18/00588, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 17/4782) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klacht</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat belanghebbende ter zitting van de Rechtbank niet is verschenen. </para>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>Het Hof heeft vastgesteld dat de Rechtbank bij brief van 6 december 2017 een vooraankondiging van die zitting aan partijen heeft gestuurd en dat de Rechtbank daarna gewoonlijk – per gewone post – de uitnodiging voor de zitting naar partijen stuurt. <?linebreak?>Het Hof heeft geoordeeld dat de vooraankondiging van 6 december 2017 niet kan worden aangemerkt als een uitnodiging voor de zitting als bedoeld in artikel 8:56 Awb en dat de uitspraak van de Rechtbank niet de feiten inhoudt waaruit blijkt dat de aan belanghebbende gerichte uitnodiging voor de zitting tijdig en op regelmatige wijze op het betrokken adres is aangeboden. <?linebreak?>Het Hof heeft aan het voorgaande de conclusie verbonden dat de uitspraak van de Rechtbank in beginsel dient te worden vernietigd.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <para>Het Hof heeft in het verzuim van de Rechtbank geen reden gezien de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank, waartoe het Hof heeft overwogen dat tussen partijen geen geschil bestond over de feiten. Het Hof heeft zelf de zaak afgedaan en het hoger beroep ongegrond verklaard. Het Hof achtte geen termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De klacht richt zich tegen het in de laatste zin van 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof en betoogt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0659, dat het Hof de heffingsambtenaar had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht voor het hoger beroep.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.4.1</nr>
        <para>Artikel 8:37, lid 1, Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat de uitnodiging om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen moet geschieden bij aangetekende brief, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt. De parlementaire geschiedenis bevat de verwachting dat de bestuursrechter van verzending bij aangetekende brief alleen zal afzien als aan de gekozen andere wijze van mededeling dezelfde waarborgen kunnen worden ontleend (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 124), waarmee kennelijk erop is gedoeld dat afdoende is gewaarborgd dat de uitnodiging de genodigde bereikt.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2</nr>
        <para>Indien een uitnodiging voor een zitting van de bestuursrechter die niet bij aangetekende brief is verzonden, de partijen desalniettemin heeft bereikt, hoeft aan die schending geen gevolg te worden verbonden (vgl. ABRvS 12 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4068).</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het Hof heeft niet vastgesteld of de uitnodiging voor de zitting van de Rechtbank in dit geval is verzonden per aangetekende brief, dan wel op een wijze die met dezelfde waarborgen is omkleed. Indien de uitnodiging niet op een van deze wijzen is verzonden, is uitgangspunt dat belanghebbende niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de Rechtbank en de daartegen in hoger beroep gerichte grief gegrond is. In een dergelijk geval bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep en vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht (zie HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0659). De klacht slaagt. Verwijzing moet volgen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht ter zake van het hoger beroep,</para>
      <para>- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,</para>
      <para>- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 128 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en</para>
      <para>- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>