<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1361</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:11:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/02342</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2019-0313</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2019/1004</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1361">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1361</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-17T16:15:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1361 Hoge Raad , 17-09-2019 / 19/02342</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1361:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening. Medeplegen poging diefstal d.m.v. braak bij bedrijf, art. 311.1 Sr. Aangevoerd wordt dat gelet op verklaring van ex-vrouw van aanvrager, inhoudende dat aanvrager t.t.v. inbraak bij haar thuis sliep, aanvrager had moeten worden vrijgesproken. Gelet op bewijsmateriaal (herkenning van aanvrager als één van personen op camerabeelden van afplakken van bewegingsmelders bij bedrijf en door verbalisant geconstateerde grote gelijkenis tussen aanvrager met persoon op screenshots van camerabeelden) en mede in aanmerking genomen globale aard van verklaring van ex-vrouw kan aan aangevoerde niet ernstig vermoeden worden ontleend dat Hof aanvrager zou hebben vrijgesproken als het met die verklaring bekend was geweest. Volgt afwijzing aanvraag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1361:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/02342</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		17 september 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 juli 2018, nummer 02/052321-18, ingediend door M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>namens</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [aanvrager] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,</para>
      <para>hierna: de aanvrager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De uitspraak waarvan herziening is gevraagd</title>
    <para>De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van “poging diefstal door twee of meer verenigde personen, door middel van braak” veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf van een maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De aanvraag tot herziening</title>
    <para>De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de aanvraag</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Het bewijsmateriaal waarover de Politierechter destijds beschikte, behelst onder meer de herkenning van de aanvrager als één van de personen die is te zien op de camerabeelden van het op 11 juni 2017 afplakken van de bewegingsmelders bij het bedrijf waar op 26 juni 2017 rond 3.00 uur het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. De herkenning van de aanvrager vindt steun in de door de verbalisant [verbalisant 1] geconstateerde grote gelijkenis tussen (de op de ID-staat vastgelegde foto van) de aanvrager met de persoon op de screenshots van diezelfde camerabeelden. </para>
        <para>De aanvraag steunt op een bij de aanvraag gevoegde, door [betrokkene 1] opgestelde verklaring die inhoudt dat de aanvrager van 24 juni 2017 tot en met 30 juni 2017 alle nachten bij haar thuis heeft geslapen. Gelet op het hiervoor vermelde bewijsmateriaal en mede in aanmerking genomen de globale aard van de verklaring van [betrokkene 1] kan aan het aangevoerde niet het ernstig vermoeden worden ontleend dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het met die verklaring bekend was geweest.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">17 september 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>