<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2019:1158</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T14:01:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/04125</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:762" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:762</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2019/893</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2019-0292</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1158">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1158</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-09T14:55:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2019:1158 Hoge Raad , 09-07-2019 / 18/04125</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2019:1158:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening. Rijden met ongeldig verklaard rijbewijs, art. 9.2 WVW 1994. Aangevoerd wordt dat Pr OM n-o had verklaard in vervolging indien Pr bekend was geweest met sepotbeslissing van CVOM gericht aan aanvrager. HR: Op in CAG vermelde gronden moet aangevoerde worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. CAG: Aan overgelegde stukken zijn voldoende deugdelijke argumenten te ontlenen die oordeel dat “Kennisgeving sepot” inderdaad betrekking heeft op bewezenverklaard feit kunnen dragen, terwijl er geen enkel argument valt aan te wijzen dat houvast biedt aan gedachte dat aanvrager op één en dezelfde dag nog eens zou zijn aangehouden voor rijden zonder geldig rijbewijs of dat pleegdatum en/of -plaats bij sepotfeit niet zou(den) kloppen. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar Hof.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2019:1158:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>9 juli 2019</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 18/04125 H</para>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold" />
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 juli 2018, nummer 03/088193-18, ingediend door K.D. Regter, advocaat te Heerlen, namens:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [aanvrager]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De uitspraak waarvan herziening is gevraagd</title>
    <para>De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van <?linebreak?>1. "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" en 2. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De aanvraag tot herziening</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat indien de Politierechter bekend was geweest met de sepotbeslissing van 19 mei 2018 van het CVOM gericht aan de aanvrager, de Politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De conclusie van de Advocaat-Generaal</title>
    <para>De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het in de aanvraag vermelde vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw wordt berecht en afgedaan, zulks met inachtneming van het bepaalde in art. 478, tweede lid, Sv.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van de aanvraag</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;</para>
      <para>beveelt, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter;</para>
      <para>verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv wat betreft het onder 2 tenlastegelegde opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij op de voet van art. 478, tweede lid, Sv voor het onder 1 bewezenverklaarde de straf te bepalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">9 juli 2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>