<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2018:42</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T18:50:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/02373</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2017:1451" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1451, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2018/182</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2018-0006</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:42">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:42</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-16T13:31:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2018:42 Hoge Raad , 16-01-2018 / 17/02373</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2018:42:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>1. Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in h.b., omdat het te laat is ingesteld. Kan geschrift marechaussee m.b.t. mededeling uitspraak e.a. worden aangemerkt als omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak verdachte bekend was a.b.i. art. 408.2 Sv? 2. Rechtsgevolgen overschrijding inzendingstermijn in cassatie i.g.v. niet-ontvankelijkverklaring in h.b. </para>
        <para>Ad 1. Hof heeft o.b.v. een “stuk” van de marechaussee vastgesteld dat mededeling uitspraak betreffende vonnis Ktr op 8 december 2014 door een medewerker van de marechaussee aan verdachte in persoon is betekend. Gelet op de inhoud van dat stuk, is ‘s Hofs vaststelling niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uitleg stuk is voorbehouden aan feitenrechter. Dit brengt mee dat ’s Hofs oordeel dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat einduitspraak Ktr verdachte op 8 december 2014 bekend was, zodat verdachte binnen 14 dagen daarna h.b. had moeten instellen, toereikend is gemotiveerd. </para>
        <para>Ad 2. Gelet op falen eerste middel moet er in cassatie van worden uitgegaan dat Hof verdachte terecht n-o heeft verklaard in zijn h.b., zodat vonnis in e.a. onherroepelijk is geworden. Gelet hierop kan klacht over overschrijding inzendingstermijn in cassatie, niet leiden tot vernietiging van 's Hofs uitspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO5711).</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2018:42:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>16 januari 2018</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 17/02373</para>
    <para>NA/CB</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juni 2016, nummer 20/000267-15, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. </para>
      <para>De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste middel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de verdachte niet binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn het hoger beroep heeft ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk is. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen: </para>
          <para>"Het beroepen vonnis is door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, op 3 september 2014 bij verstek gewezen. De dagvaarding om in eerste aanleg te verschijnen is niet in persoon aan verdachte betekend, maar aan een ander op het adres van verdachte. De termijn van 14 dagen waarbinnen verdachte hoger beroep diende in te stellen tegen het beroepen vonnis, is derhalve aangevangen op het moment waarop verdachte met het vonnis bekend is geworden.<?linebreak?></para>
          <para>De verdediging heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat verdachte eind januari 2015, daags voor de datum waarop appel is ingesteld, te weten 28 januari 2015, bekend is geworden met het vonnis.<?linebreak?></para>
          <para>Het hof leidt op dit punt uit de stukken af dat de mededeling uitspraak van het vonnis op 8 december 2015 (de Hoge Raad leest: 2014) door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee Zuid-Nederland aan verdachte in persoon is betekend. Dit stuk is ondertekend door de officier van justitie. Dat zich achter dit stuk een overzicht van de politie bevindt waaruit zou kunnen blijken dat verdachte sinds 11 december 2015 (de Hoge Raad leest: 2014) landelijk is gesignaleerd, maakt dit niet anders.</para>
          <para>Het hof oordeelt aldus dat de termijn van veertien dagen waarbinnen verdachte appel had moeten instellen, is aangevangen op 8 december 2015 (de Hoge Raad leest: 2014). Het door verdachte op 28 januari 2016 (de Hoge Raad leest: 2015) ingestelde appel is ná die termijn ingesteld, zodat verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard."</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Voormeld "stuk" van de marechaussee bevindt zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken en houdt het volgende in:</para>
          <para>"Koninklijke</para>
          <para>Marechaussee</para>
          <para>Zuid-Nederland</para>
          <para>MEDEDELING UITSPRAAK</para>
          <para>(BETIP)</para>
          <para>Aan onderstaand persoon,</para>
          <para>Naam		: [verdachte]</para>
          <para>Voornamen	: [voornaam verdachte]</para>
          <para>(...)</para>
          <para>Wordt het volgende vonnis uitgereikt,</para>
          <para>Parkernummer: 02-043129-13</para>
          <para>Arrondissementsparket te BREDA</para>
          <para>Hierbij deel ik u mede dat de rechter te BREDA op 03-09-14 onderstaand vonnis heeft gewezen:<?linebreak?></para>
          <para>KWALIFICATIE:</para>
          <para>Overtreding van het bepaalde in art. 21 sub A RVV 1990</para>
          <para>GEPLEEGD:</para>
          <para>op 28-09-2012 (...)</para>
          <para>TOEGEPASTE ARTIKELEN:</para>
          <para>Wetboek van Strafrecht artikel 23/24/24c Wetboek Sr</para>
          <para />
          <para>(...) 179 Wegenverkeerswet 1994</para>
          <para>21 RVV</para>
          <para>BESLISSING:</para>
          <para>geldboete € 1.250,-</para>
          <para>subsidiair 22 dagen (...) hechtenis</para>
          <para>ontzegging rijbevoegdheid 4 maanden</para>
          <para>Plaats: BREDA</para>
          <para>Datum: 08-12-14</para>
          <para>De officier van justitie</para>
          <para>[handtekening]."</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De uitleg van het onder 2.2.2 vermelde stuk is, als van feitelijke aard, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie alleen op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof op basis van voormeld "stuk" van de marechaussee vastgesteld dat de mededeling uitspraak betreffende het vonnis van de Kantonrechter op 8 december 2014 door een medewerker van de Koninklijke marechaussee Zuid-Nederland aan de verdachte in persoon is betekend. Gelet op de inhoud van dat stuk, zoals hiervoor onder 2.2.2 weergegeven, is deze vaststelling van het Hof niet onbegrijpelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat het oordeel van het Hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van de Kantonrechter de verdachte op 8 december 2014 bekend was, zodat de verdachte binnen veertien dagen daarna hoger beroep had moeten instellen, toereikend is gemotiveerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het middel faalt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het tweede middel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Nu het bij schriftuur voorgestelde middel ten aanzien van 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep niet tot cassatie leidt en de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het Hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij deze stand van zaken kan de klacht dat het Hof de gedingstukken niet tijdig na het instellen van het cassatieberoep heeft ingezonden, niet leiden tot vernietiging van 's Hofs uitspraak. Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld en dat het cassatieberoep moet worden verworpen (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711, NJ 2004/495).<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-pesident J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffierE. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">16 januari 2018</emphasis>.<?linebreak?><?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>