<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2018:2080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:50:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/01142</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2018/2429</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2018/59.17</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2018/2443 met annotatie van Eddo Hageman</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2018/210</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2019/16 met annotatie van R.A. Eskes</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2019/10 met annotatie van E. THOMAS</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2018/2746 met annotatie van mr. W.E. Nent-Vroomen</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2018-2947</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2018110905</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:2080">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:2080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-08T11:22:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2018:2080 Hoge Raad , 09-11-2018 / 18/01142</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2018:2080:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dwangsom. art. 6:15, leden 1 en 2, Awb. Beroepschrift tevens aan te merken als bezwaarschrift. Verzuim Rechtbank doorzendplicht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2018:2080:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>9 november 2018</para>
    <para>nr. 18/01142</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">de erfgenaam van [A]</emphasis>, gewoond hebbende te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis>, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de <emphasis role="underline">Rechtbank Limburg</emphasis> van 6 februari 2018, nr. AWB/ROE 17/1137, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2014 betreffende de onroerende zaken [a-straat 1] en [2] te [Z]. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klachten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. </para>
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <para>De heffingsambtenaar heeft op 1 juli respectievelijk 8 augustus 2016 bezwaarschriften van belanghebbende ontvangen die gericht zijn tegen twee beschikkingen krachtens de Wet waardering onroerende zaken.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 13 februari 2017, door de heffingsambtenaar ontvangen op 16 februari 2017, op de voet van artikel 4:17 Awb in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.3.</nr>
        <para>De heffingsambtenaar heeft op 21 maart 2017 uitspraken op bezwaar gedaan en daarbij tevens het verzoek om een dwangsom afgewezen. De besluiten zijn aan belanghebbende bekendgemaakt in een brief waarin tevens is vermeld dat beroep kan worden ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar en dat bezwaar kan worden gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangsom. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.4.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft bij brief van 14 april 2017 beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Voorts heeft belanghebbende in de brief gesteld dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd, omdat niet binnen twee weken na de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar is gedaan. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.5.</nr>
        <para>De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift bij de Rechtbank erkend dat een dwangsom is verschuldigd van € 430 en de Rechtbank verzocht om de zaak zonder behandeling op zitting terug te wijzen, dan wel hem met toepassing van de bestuurlijke lus op de voet van artikel 8:51a Awb de mogelijkheid te bieden om het gebrek te herstellen. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>In cassatie wordt onder meer erover geklaagd dat de Rechtbank het beroepschrift tevens had moeten aanmerken als een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het dwangsomverzoek, en op grond van artikel 6:15 Awb naar de heffingsambtenaar had moeten doorzenden. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <para>Deze klacht wordt terecht voorgesteld. Uit het beroepschrift bij de Rechtbank kan niet anders worden afgeleid dan dat het tevens bezwaren bevat tegen de afwijzing van het dwangsomverzoek. De Rechtbank had daarom het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, leden 1 en 2, Awb als bezwaarschrift ter behandeling moeten doorsturen naar de heffingsambtenaar. Aangezien de Rechtbank dat heeft verzuimd, zal de Hoge Raad dat doen. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>In verband met hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, wordt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>	verklaart het beroep in cassatie ongegrond,</para>
      <para>verstaat dat de heffingsambtenaar van de gemeente Roerdalen alsnog uitspraak doet op het bezwaar van belanghebbende tegen de beslissing op zijn verzoek om een dwangsom,</para>
      <para>gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen (hierna: het College) aan belanghebbende vergoedt het ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 126, en </para>
      <para>veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>