<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2018:1723</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:48:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/01100</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2018:1132" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:1132</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2018-2502</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2018092112</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1723">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1723</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-20T16:25:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2018:1723 Hoge Raad , 21-09-2018 / 18/01100</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2018:1723:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>HR verklaart het beroep in cassatie n-o.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2018:1723:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>21 september 2018</para>
    <para>Nr. 18/01100</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">[X]</emphasis> te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis> van 6 februari 2018, nrs. AWB 16/01345, 16/01347 en 16/01348, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 15/3549, 15/3551 en 15/3552)  betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2010, 2011 en 2012 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente dan wel belastingrente.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>1</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie</title>
    <parablock>
      <para> 	Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.</para>
      <para>De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 24 april 2018 in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. In de brief is tevens verzocht om bewijsstukken te overleggen. Belanghebbende heeft bij brief van 26 april 2018 de verklaring ondertekend teruggezonden aan de Hoge Raad, echter zonder de verzochte bewijsstukken.</para>
      <para>Bij brief van 1 mei 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad meegedeeld dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Tevens is in deze brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.</para>
      <para>Bij brieven van 7 mei 2018 en 22 mei 2018 heeft belanghebbende zijn beroep op betalingsonmacht herhaald. Die herhaalde verzoeken zijn door de griffier, mede gelet op de eerder aan belanghebbende toegezonden brief van 1 mei 2018, buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para>De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 31 mei 2018, die volgens de gegevens van Track&amp;Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.</para>
      <para>	De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 29 juni 2018 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 3 juli 2018 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.</para>
      <para>	Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Proceskosten</title>
    <para>	De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>