<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2018:1539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:54:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/02519</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2018:583" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:583</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2018-0333</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2018/1001</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1539">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-11T08:12:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2018:1539 Hoge Raad , 11-09-2018 / 16/02519</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2018:1539:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Medeplegen gekwalificeerde diefstal door vanuit Zeist naar golfclub in Friesland te rijden en aldaar d.m.v. braak uit kantoor kluis mee te nemen, art. 311.1 Sr en art. 43a Sr. 1. Voor het bewijs gebruikte politieverklaring medeverdachte gedenatureerd? 2. Bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid van art. 43a Sr kan niet uit de gebezigde b.m. worden afgeleid.</para>
        <para>Ad 1. HR: Op gronden vermeld in CAG kan klacht niet tot cassatie leiden. CAG: Medeverdachte heeft t.a.v. beschrijving inzittenden auto en uitvoering inbraak weliswaar verklaard hetgeen het Hof heeft aangehaald, maar de wijze waarop het Hof deze verklaring heeft ingekort en weergegeven zou, ten onrechte, de indruk kunnen wekken dat “we” telkens in belastende zin betrekking heeft op alle personen die worden genoemd in de eerste zin van het b.m. en dus ook op verdachte, zulks terwijl medeverdachte juist heeft verklaard dat verdachte niet aanwezig was bij de inbraak. Deze onvolkomenheid behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu ook met weglating van de onjuiste suggestie dat met “we” tevens verdachte werd bedoeld de bewezenverklaring z.m. toereikend is gemotiveerd. </para>
        <para>Ad 2. HR: Op gronden vermeld in CAG kan klacht niet tot cassatie leiden. CAG: De in art. 43a Sr voorziene grond voor strafverzwaring kan bij de strafoplegging slechts in aanmerking worden genomen indien zij aan verdachte is tlgd. en d.m.v. wettige b.m. is bewezen. Middel klaagt terecht dat dit onderdeel van de bewezenverklaring geen steun vindt in enig door het Hof gebezigd b.m. Deze omissie hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Bij de stukken van het geding bevindt zich namelijk een uittreksel JD waaruit blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum wegens een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Om die reden ontbeert verdachte rechtens te respecteren belang bij cassatie. </para>
        <para>Samenhang met 16/01310 en 17/01479.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2018:1539:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>11 september 2018</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 16/02519</para>
    <para>SA</para>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 4 maart 2016, nummer 21/002005-14, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, en D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt onder meer dat het Hof de voor het bewijs gebruikte verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gedenatureerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5, 6 en 11 tot en met 14 kan de klacht niet tot cassatie leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het middel klaagt voorts dat de tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid van art. 43a Sr niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 16 en 17 kan ook deze klacht niet tot cassatie leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het derde middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van de middelen voor het overige</title>
    <para>De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para>Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;</para>
      <para>vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en twee weken beloopt;</para>
      <para>verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">11 september 2018</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>