<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:963</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:56:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-06-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/04188</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2013:5078" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:5078, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2017/28.6 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2017/1244</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2017/1450</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2017/1523 met annotatie van mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2017-1321</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2017060201</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:963">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:963</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-29T16:05:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:963 Hoge Raad , 02-06-2017 / 13/04188</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:963:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 16, lid 4, AWR. Verlengde navorderingstermijn bij beleggingsrekening buiten de EU. Standstill-bepaling artikel 64 VWEU van toepassing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:963:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Derde Kamer</para>
    <para />
    <para>Nr. 13/04188</para>
    <para />
    <para />
    <para>2 juni 2017</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Arrest </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">de Staatssecretaris van Financiën</emphasis> tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof Den Haag</emphasis> van 17 juli 2013, nr. BK‑12/00702, op het hoger beroep van <emphasis role="underline">[X] </emphasis>te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 11/949) betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. </para>
      <para>Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para>De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.</para>
      <para>	De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.</para>
      <para>Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 december 2014 geconcludeerd tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:PHR:2014:2573).</para>
      <para>Bij brief van 10 april 2015 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond alvorens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) antwoord zal hebben gegeven op de bij arrest van 10 april 2015 in zaak 14/00528 gestelde prejudiciële vragen.</para>
      <para>Het HvJ heeft uitspraak gedaan op die vragen bij arrest van 15 februari 2017, X, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119 (hierna: het arrest van het HvJ van 15 februari 2017).</para>
      <para>Belanghebbende en de Staatssecretaris zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 15 februari 2017. De Staatssecretaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>2.1.1. Belanghebbende had in de jaren 1998 tot en met 2008 twee effectenrekeningen bij National Financial Services LLC en National Investor Services Corporation, gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS). Op deze twee effectenrekeningen heeft belanghebbende gedurende die jaren dividenden en rente ontvangen.</para>
      <para>2.1.2. De in deze procedure bestreden navorderingsaanslag betreft tegoeden op die rekeningen en daarop genoten inkomsten. Op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen belanghebbende en de Inspecteur is bij deze navorderingsaanslag inkomsten- en vermogensbelasting over een reeks jaren nagevorderd.</para>
      <para>2.2.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of artikel 64, lid 1, VWEU, de zogenoemde standstillbepaling, kan worden ingeroepen bij de beoordeling of toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verenigbaar is met het Unierecht in een geval als het onderhavige, waarin de belanghebbende een (effecten)rekening aanhoudt bij een bank in de VS. Het Hof heeft die vraag – anders dan de Rechtbank – ontkennend beantwoord.</para>
      <para>2.2.2. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van het arrest HvJ 11 juni 2009, nrs. C-155/08 en C-157/08, X en E.H.A. Passenheim‑van Schoot, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222, beoordeeld of de Inspecteur voldoende voortvarend tot navordering is overgegaan. Dat was naar het oordeel van het Hof niet het geval voor zover het gaat om navordering van inkomstenbelasting over de jaren 2003 en 2004. In zoverre achtte het Hof navordering niet toelaatbaar wegens strijd met het Unierecht.</para>
      <para>2.2.3. Met betrekking tot de overige jaren waarover met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR is nagevorderd, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof wel voldoende voortvarend gehandeld. Met betrekking tot die jaren is navordering daarom naar het oordeel van het Hof niet in strijd met het Unierecht.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit het arrest van het HvJ van 15 februari 2017 volgt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, en dat de zogenoemde standstillbepaling in een geval als het onderhavige wel van toepassing is. Het middel slaagt daarom. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel</title>
    <para>Het betoog in het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof over de voortvarendheid waarmee de Inspecteur bij de navordering over jaren vóór 2003 te werk is gegaan. Gelet op hetgeen in onderdeel 3.2 hiervoor is overwogen, is de mate van voortvarendheid waarmee de Inspecteur te werk is gegaan niet van belang bij beantwoording van de vraag of navordering in een geval als het onderhavige verenigbaar is met het recht van de EU. Het middel faalt daarom.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para>Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, met uitzondering van de – door het Hof ten voordele van belanghebbende gecorrigeerde – beslissing over de proceskosten.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Proceskosten</title>
    <para>	De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>verklaart het principale beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>	verklaart het incidentele beroep in cassatie ongegrond, </para>
      <para>vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en</para>
      <para>bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>