<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:823</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T11:59:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/04095</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2016:4348" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:4348, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:823">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:823</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-03T12:02:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:823 Hoge Raad , 28-02-2017 / 16/04095</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:823:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:823:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>28 februari 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 16/04095</para>
    <para>EC</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 maart 2016, nummer 22/002097-15, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. Groenendijk, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>3.	Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">28 februari 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Schriftuur houdende middelen van cassatie in de zaak van:</emphasis>
      </para>
      <para>
        [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1973, verzoeker tot cassatie van een hem betreffende arrest van het Gerechtshof te Den haag uitgesproken op 07 maart 2016</para>
      <para>MIDDEL 1</para>
      <para>Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.</para>
      <para>Het Gerechtshof overweegt:</para>
      <para>"Op grond van het hier bovenstaande stelt het HOF vast dat aan de verdachte op 28 januari 2016 een laissez-passer is verstrekt. Dat de verdachte de laissez-passer kennelijk niet heeft afgehaald, betreft een omstandigheid die onder zijn eigen verantwoordelijkheid valt."</para>
      <para>Het Gerechtshof oordeelt onbegrijpelijk, althans motiveert onvoldoende op dit punt. Het is DT&amp;V die de laissez-passer dient te verkrijgen om zo de vreemdeling, in casu appelant uit te zetten naar Algerije.</para>
      <para>Hier komt nog bij dat nergens uit blijkt dat appelant op enig moment op de hoogte was van het 'afhalen van een Laissez-passer bij de Ambassade van Algerije. In casu is de Laissez-passer verstrekt, echter het Hof laat na te motiveren waarom die verstrekking tot daadwerkelijk uitzetting van appelant behoorde te leiden. Daar ziet nu juist de kern.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">MIDDEL 1</emphasis>
      </para>
      <para>Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.</para>
      <para>Het Gerechtshof overweegt:</para>
      <para>"Ten overvloede overweegt het Hof dat op grond van de informatie van DT&amp;V, zoals hierboven weergegeven, kan worden geconcludeerd dat de verdachte alles in het werk stelt om zijn terugkeer naar het land van herkomst te frustreren. Daarentegen is de stelling van de verdediging, inhoudende te kampen heeft met psychische problemen, op geen enkele wijze onderbouwd en mitsdien niet aannemelijk geworden."</para>
      <para>Het Gerechtshof motiveert deze overweging onvoldoende. Op 28 oktober 2015 is appelant gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten. Sedertdien is appelant in afwachting van de uitzetting, welke uitblijft. Algerije geeft immers geen .gevolg aan verstrekte Laissez-passer. Niet valt in te zien, dan wel onbegrijpelijk is dan ook de stelling dat appelant het uitzettraject naar Algerije, land van herkomst, frusteert.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>