<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T11:55:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/03863</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2016:10652" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:10652, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:817">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-03T10:55:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:817 Hoge Raad , 28-02-2017 / 16/03863</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:817:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:817:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>28 februari 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 16/03863</para>
    <para>DFL</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 juli 2016, nummer 21/005945-15, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.J.M. Nijenhuis, advocaat te Nijmegen, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>3.	Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">28 februari 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">CASSATIESCHRIFTUUR</emphasis>
      </para>
      <para>Aan de Hoge Raad der Nederlanden:</para>
      <para>Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, locatie Arnhem van 13 juli 2016 waarin het hof in de zaak tegen verdachte:</para>
      <para>
        [verdachte]
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963 Adres: [adres]</para>
      <para>hem heeft veroordeeld voor het beschadigen van twee auto’s in de periode van 9 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te Nijmegen.</para>
      <para>Rekwirant kan zich met deze beslissing en de motvering daarvan niet verenigen.</para>
      <para>Rekwirant heeft ondergetekende bepaaldelijk gevolmachtigd namens hem dit schriftuur in te dienen en te ondertekenen.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Middel 1:</emphasis>
      </para>
      <para>Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij in het bijzonder zijn (is) geschonden althans niet zijn (is) nageleefd: de artikelen 6 E.V.R.M. en/of artt. 359 lid 2 en 3 en 8 Sv jo. art. 415 Sv en/of art. 342 lid 2 Sv. jo 415 Sv enig andere wettelijke bepaling en/of enig ander rechtsbeginsel of beginsel van een goede procesorde, doordat het hof onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk in strijd met de wettelijke bewijsminimumregels bewezen heeft verklaard dat rekwirant in de periode van 9 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te Nijmegen telkens opzettelijk en wederrechtelijk personenauto’s te weten een Renault Scenic (kenteken [AA-00-BB]) en een Suzuki Alto (kenteken [CC-00-DD]) toebehorende aan [betrokkene 1] (Renault Scenic kenteken [AA-00-BB]) en [betrokkene 2] (Suzuki Alto kenteken [CC-00-DD]) heeft beschadigd.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Toelichting:</emphasis>
      </para>
      <para>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, aldus artikel 342 lid 2 Sv. Het hof heeft deze bewijsminimumregel geschonden, hetgeen blijkt uit de aanvulling als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sv.</para>
      <para>Over de beschadiging van de Renault Scenic wordt alleen belastend verklaard door getuige [getuige]. Deze getuige zou rekwirant de beschadiging hebben zien uitvoeren. Deze verklaring wordt door geen enkel ander (objectief) bewijsmiddel ondersteund.</para>
      <para>De bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt ten aanzien van de beschadiging van de Renault zijn de volgende:</para>
      <para>-Verklaring van rekwirant ter terechtzitting bij de politierechter d.d. 13 oktober 2015 -Het proces-verbaal van de politie Oost-Nederland met bijlagen, gesloten op 15 augustus 2015, waaronder met name het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] (pag. 81 ev)</para>
      <para>-afschrift van de aangifte van [betrokkene 1], (pag. 76 ev.)</para>
      <para>De overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen niet dienen tot bewijs van de beschadiging van de Renault.</para>
      <para>Rekwirant heeft telkens consequent en voortdurend ontkend de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd. Er is geen enkele ander bewijsmiddel dat de verklaring van deze enige getuige kan ondersteunen. Er is wel aangifte gedaan. Onduidelijk blijft echter of dat sprake is van verse schade of dat de schade al langer aanwezig was op de Renault. De aangifte vermeld slechts dat de schade op 3 augustus 215 is geconstateerd. Er is geen enkel onderzoek gedaan naar de oorzaak van de kras. Daarmee is de aangifte een onvoldoende ondersteunend bewijsmiddel voor de enige getuigenverklaring.</para>
      <para>Er zijn geen voorwerpen bij rekwirant aangetroffen waarmee hij de beschadigingen zou kunnen uitvoeren.</para>
      <para>Hetzelfde doet zich voor ten aanzien van de bewezenverklaring van de beschadiging van de Suzuki Alto.</para>
      <para>De bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt ten aanzien van de beschadiging van de Suzuki Alto zijn de volgende:</para>
      <para>-verklaring van rekwirant bij de politierechter d.d. 13 oktober 2015.</para>
      <para>-proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 3] namens [betrokkene 2] opgemaakt d.d. 11 augustus 2015. -proces-verbaal van verhoor van aangever [betrokkene 4].</para>
      <para>De overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen niet dienen tot bewijs van de beschadiging van de Suzuki Alto.</para>
      <para>Ook de beschadiging van de Suzuki Alto wordt door rekwirant stellig ontkend. Er is sprake van slechts één belastende getuige, te weten aangever [betrokkene 4]. Uit de aangifte die is gedaan kan slechts blijken dat de auto een kras had op 4 augustus 2015. De kras is niet onderzocht door de politie. Er is niet vastgesteld of sprake is van verse schade of dat de kras al langer op de Suzuki aanwezig was.</para>
      <para>De belastende verklaring van [betrokkene 4] wordt daardoor niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Daarmee heeft het hof de wettelijke bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv. geschonden.</para>
      <para>Het belang voor rekwirant is groot. Rekwirant stelt zich op het standpunt ten onrecht veroordeeld te zijn. De wettelijke bewijsminimumregels zijn van groot belang. Het is onverantwoord iemand te veroordelen enkel en alleen op basis van de verklaring van één persoon. De politie heeft het onderzoek naar de bewezen schade zeer beperkt uitgevoerd. Dit klemt temeer nu van het begin af sprake is van een ontkennende verdachte.</para>
      <para>Indien het cassatiemiddel doel treft zal de beslissing van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 13 juli 2016 niet in stand kunnen blijven.</para>
      <para>Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook het arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>