<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:808</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T11:39:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/02889</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2016:1961" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:1961, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:808">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:808</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-03T09:11:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:808 Hoge Raad , 07-02-2017 / 16/02889</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:808:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:808:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>7 februari 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 16/02889</para>
    <para>CeH</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 10 mei 2016, nummer 23/003566-15, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>3.	Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">7 februari 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Middel 1</emphasis>
      </para>
      <para>Schending van het recht en / of verzuim van vormen, waarvan de niet naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat de bewezenverklaring ten aanzien van het ophouden op de weg, 'terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om op middelen als bedoeld in art 2 van de Opiumweg gelijkende waar te koop aan te bieden.’ ontoereikend is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Toelichting</emphasis>
      </para>
      <para>Het Hof heeft overwogen dat het door de verbalisanten opgemaakte proces-verbaal voldoende concreet en specifiek is om, in samenhang met de plaats waar en het tijdstip waarop rekwirant het waargenomen gedrag vertoonde, alsmede met de bij de verdachte aangetroffen op verdovende middelen gelijkende waar, rechtens aannemelijk te achten dat rekwirant zich op de Herengracht heeft opgehouden om toen en daar die waar te koop aan te bieden.</para>
      <para>Deze overweging is naar het oordeel van rekwirant onbegrijpelijk, omdat uit het proces-verbaal niet voldoende blijkt met welke reden rekwirant zich op de Herengracht ophield.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Middel 2</emphasis>
      </para>
      <para>Schending van het recht en / of verzuim van vormen, waarvan de niet naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat de bewezenverklaring ten aanzien van het ophouden op de weg, 'terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om op middelen als bedoeld in art 2 van de Opiumwet gelijkende waar te koop aan te bieden’ niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, dan wel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Toelichting</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het proces-verbaal blijkt niet of de bij rekwirant aangetroffen drie brokjes met op cocaïne gelijkende waar daadwerkelijk cocaïne bevatten of dat dit ‘op middelen als bedoeld in art 2 van de Opiumwet gelijkende waar' betrof. Het is heel wel mogelijk dat rekwirant cocaïne bij zich droeg, hetgeen geen 'op middelen als bedoeld in art 2 van de Opiumwet gelijkende waar’ (nepdope) betreft maar een middel als bedoeld in art 2 van de Opiumwet In het laatste geval had het Hof rekwirant niet kunnen veroordelen voor overtreding van art. 2.7 van de APV.</para>
      <para>Naar het oordeel van rekwirant kan het bestreden arrest dan ook geen stand houden.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>