<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T11:19:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/00721</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2016:302" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:302, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:785">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-01T12:19:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:785 Hoge Raad , 31-01-2017 / 16/00721</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:785:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:785:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>31 januari 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 16/00721</para>
    <para>EC</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2016, nummer 23/002530-15, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>3.	Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">31 januari 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Schriftuur houdende middel van cassatie in de zaak van:</para>
      <para>
        [verdachte]
      </para>
      <para>geboren [geboortedatum] 1963</para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>Rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, uitgesproken op 1 februari 2016 met parketnummer 23-002530-15</para>
      <para>MIDDEL I</para>
      <para>Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder is artikel 358 Sv geschonden, nu het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen dat een noodweer situatie aannemelijk is geworden.</para>
      <para>TOELICHTING</para>
      <para>Het hof heeft bewezen verklaart dat rekwirant</para>
      <para>“1.</para>
      <para>(...) op 16 december 2014 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jerrycan vloeibaar wasmiddel, toebehorende aan [betrokkene], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen voornoemde [betrokkene], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond, dat hij voornoemde [betrokkene] tegen het lichaam heeft geslagen en een vingertop van voornoemde [betrokkene] heeft afgebeten.</para>
      <para>2.</para>
      <para>hij op 16 december 2014 te Amsterdam aan [betrokkene] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten vingertop, heeft toegebracht door voornoemde [betrokkene] met dat opzet in een vinger te bijten ”.</para>
      <para>De raadsman had bepleit dat er sprake was van een noodweer situatie.</para>
      <para>De rechtsbank had aangenomen dat er sprake was van een noodweer/noodweerexces situatie, maar oordeelde dat rekwirant disproportioneel had gehandeld door de vingertop van de aangever af te bijten.</para>
      <para>Het hof verwerpt het verweer en overweegt onder meer als volgt (arrest blz. 3):</para>
      <para>“Uit het dossier komt naar voren dat [betrokkene 1], die de verklaring van de verdachte heeft bevestigd, een bekende van de verdachte is. Zij liep met de verdachte op en is er door de aangever van beschuldigd dat ook zij hem zou hebben geslagen. Zij is hieromtrent als verdachte gehoord. Het hof beschouwt haar verklaring daarom met enige terughoudendheid. Datzelfde geldt voor de verklaringen van de verdachte en de aangever, nu deze als de strijdende partijen eveneens een belang kunnen hebben niet (geheel) naar waarheid te verklaren.</para>
      <para>Met betrekking tot de getuige [getuige 1], die het incident bij toeval waarnam, is niet gebleken dat hij de overige betrokkenen kende. Het hof beschouwt hem daarom als een onafhankelijke getuige en acht het om die reden in het bijzonder van belang dat de verklaring van de verdachte in zijn verklaring geen steun vindt.</para>
      <para>Het hof is van oordeel dat op grond van genoemde verklaringen noch anderszins is vast te stellen hoe het gevecht is aangevangen en wat de precieze toedracht daarvan is geweest. Bij het ontbreken van een dergelijke feitelijke vaststelling is een noodweer situatie niet aannemelijk geworden”.</para>
      <para>Hieruit blijkt dat het hof de verwerping van het verweer met name baseert op het gegeven dat de getuige [getuige 1] de verklaring van rekwirant niet zou ondersteunen. Aan de verklaring van [getuige 1] kent het hof bijzondere waarde toe boven de overige verklaringen, aangezien niet zou zijn “gebleken dat hij de overige betrokkenen kende”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit laatste blijkt echter een onjuiste aanname. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige [getuige 1] onder andere verklaard:</para>
      <para>“Ik kende de eigenaar van de winkel omdat ik daar regelmatig naar binnen ga om spullen te kijken. Kennen is een groot woord, maar ik wist wel wie het was”.</para>
      <para>Hoewel hij zijn bewering dat hij de aangever kent vervolgens nuanceert (“kennen is een groot woord”), neemt de getuige deze woorden niet terug. In elk geval de stelling onjuist dat hij de aangever niet zou kennen, apert onjuist.</para>
      <para>Het belang hiervan is groot nu het hof de verwerping van het verweer in hoofdzaak baseert op Het gegeven dat [getuige 1] een onpartijdige getuige zou zijn omdat hij geen van de betrokkenen zou kennen. Daarom kent het hof aan zijn verklaring meer waarde toe dan aan die van getuige [betrokkene 1], terwijl de rechtbank nu juist aan de verklaring van [betrokkene 1] had ontleend dat zich (in beginsel) een noodweersituatie voordeed.</para>
      <para>De onjuiste feitelijke aanname, in het hart van de motivering van de verwerping van het verweer, maakt de uitspraak van het hof onbegrijpelijk want op een onjuiste feitelijke aanname gebaseerd.</para>
      <para>Rekwirant verzoekt Uw Edelhoogachtbaar College het door hem bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 1 februari 2016 te vernietigen en betreffende de verdere afhandeling te beslissen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>