<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T11:09:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/00212</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2015:4066" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4066, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:775">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-01T10:17:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:775 Hoge Raad , 31-01-2017 / 16/00212</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:775:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:775:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>31 januari 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 16/00212</para>
    <para>CB</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 september 2015, nummer 23/003381-14, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N.D. de Fluiter, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>3.	Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">31 januari 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>SCHRIFTUUR houdende een middel van cassatie inzake:</para>
      <para>Het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 30 september 2015, bekend onder parketnummer.23/003381-14, gewezen in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 29 augustus 2014, bekend onder parketnummer 15/119584-14.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de strafzaak tegen: </para>
      <para>
        [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.</para>
      <para>MIDDEL - Strijd met artikelen 358 lid 2 jo. 359 lid 2 Sv</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd, zoals bedoeld in artikel 79 RO doordat het hof ter terechtzitting van 16 september 2015 het door requirant in hoger beroep voorgedragen verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, zodat 's  Hofs bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.</para>
      <para>Immers heeft het hof het alternatieve scenario, zoals door de verdediging ter terechtzitting aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd verworpen.</para>
      <para>Toelichting</para>
    </parablock>
    <para>1. Requirant heeft ter terechtzitting steeds het standpunt ingenomen dat hij niet de persoon is die op de beelden te zien zou zijn geweest. In hoger beroep heeft de verdediging opnieuw aangevoerd dat het niet requirant was die de goederen heeft weggenomen maar een andere, onbekend gebleven, persoon. Requirant zou de tas met goederen van deze persoon in handen gekregen hebben zo stelt hij.</para>
    <para>2. Het hof verwerpt voornoemd verweer en overweegt daarbij: "Reeds de inhoud van de bewijsmiddelen weerlegt het door de verdediging geschetste alternatieve scenario".</para>
    <para>3. Nu het hof het namens requirant in hoger beroep voorgedragen verweer, ten onrechte heeft verworpen, althans onvoldoende gemotiveerd, zodat 's Hofs bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, is requirant van mening dat het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 30 september 2015 voor vernietiging en verwijzing in aanmerking komt.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>