<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:29:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/00851</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2016:962" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:962, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2015:642" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:642, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2017/983</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2017/365 met annotatie van J.M. Reijntjes</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2017/488</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2017-0186</rdf:li>
          <rdf:li>PS-Updates.nl 2017-0394</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:663">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-11T13:51:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:663 Hoge Raad , 11-04-2017 / 15/00851</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:663:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Middel vordering b.p. over gemaakte proceskosten. Ex art. 592a Sv dient de rechter te beslissen over de kosten door de b.p. gemaakt en t.b.v. de tenuitvoerlegging nog te maken, welke beslissing ex art. 361.6 Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. De wettelijke voorschriften m.b.t. de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. Daarop stuit het middel af. CAG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:663:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>11 april 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 15/00851</para>
    <para>SG/CB</para>
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 februari 2015, nummer 22/003440-14, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	Namens de benadeelde partij heeft M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Deze heeft tevens namens de benadeelde partij bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het Hof heeft nagelaten de verdachte te veroordelen tot vergoeding van de volgens het liquidatietarief vast te stellen proceskosten van de benadeelde partij, tot voorziening in dit verzuim en in de kosten van het geding in cassatie door de Hoge Raad zelve, en tot verwerping van het door de verdachte ingestelde beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat het Hof de tot aan de bestreden uitspraak gemaakte kosten ten onrechte op nihil heeft begroot.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in: </para>
          <para>"Namens de benadeelde partij deelt mr. Cantarella, als gemachtigde van de benadeelde partij, mede dat de benadeelde partij vandaag afwezig is, omdat zij het niet aan kon om ter terechtzitting te verschijnen en dat zij haar vordering inderdaad handhaaft in hoger beroep."</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Het Hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende beslist:</para>
          <para>"Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.100,-- (twintigduizend honderd euro) bestaande uit € 15.100,-- (vijftienduizend honderd euro) materiële schade en <?linebreak?>€ 5.000,-- (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, aan de benadeelde partij.</para>
          <para>Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</para>
          <para>Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.</para>
          <para>Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil."</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Met betrekking tot de verwijzing in de proceskosten heeft het Hof in de bestreden uitspraak het volgende overwogen: </para>
          <para>"Hoewel de vordering is ingediend en gehandhaafd door een advocaat en deze in hoger beroep de gehele (langdurige) zitting heeft bijgewoond, zijn geen kosten ter zake gevorderd. Dit brengt mee dat het hof ervan uit zal gaan dat tot op heden de kosten dienen te worden begroot op nihil.</para>
          <para>De verdachte dient derhalve te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken."</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Ingevolge art. 592a Sv dient de rechter in de in dat artikel bedoelde gevallen te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, welke beslissing ingevolge art. 361, zesde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft (vgl. HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571). Daarop stuit het middel af.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">11 april 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>