<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:2653</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:36:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/04856</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2017:1080" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1080, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2017/1119</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2017-0441</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2653">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2653</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-18T10:13:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:2653 Hoge Raad , 10-10-2017 / 15/04856</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:2653:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Stelbrief raadsman niet bij stukken, art. 51 (oud) Sv. Aan cassatieschriftuur zijn gehecht een stelbrief in h.b. en een verzendrapport waaruit kan worden afgeleid dat deze brief per fax is verzonden naar het faxnummer van de administratie van het Hof. Inhoud van verzendrapport biedt voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat stelbrief wel ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar in het ongerede is geraakt. Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman is gezonden, terwijl noch verdachte noch diens raadsman ttz. in h.b. is verschenen. Hieruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. de appeldagvaarding art. 51, tweede volzin, (oud) Sv niet is nageleefd. Dit staat in de weg aan een geldige behandeling van de zaak ttz.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:2653:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>10 oktober 2017</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 15/04856</para>
    <para>SB</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 maart 2014, nummer 22/003170-13, in de strafzaak tegen:<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para>De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter staving van deze klacht zijn aan de cassatieschriftuur de volgende stukken gehecht: </para>
        <para>(i) een kopie van een brief van 19 juli 2013 van mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, aan het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Deze brief houdt onder meer in:<?linebreak?></para>
        <para>"Geachte heer, mevrouw,</para>
        <para>Hiermee stel ik mij als raadsman van [verdachte] (geboren [geboortedatum]-1975) in ondergenoemde zaak.</para>
        <para>Ik verzoek u mij afschrift van alle processtukken te doen toekomen.</para>
        <para>(...)</para>
        <para>Zaaks- en cliëntgegevens</para>
        <para>Cliënt</para>
        <para>Naam 			: [verdachte]</para>
        <para>Geboren 		: [geboortedatum]-1975 te [geboorteplaats]</para>
        <para>Vonnis waarvan beroep</para>
        <para>Parketnummer		: 09/091956-13</para>
        <para>Instantie		: Rechtbank 's-Gravenhage</para>
        <para>Uitspraakdatum	: 08 juli 2013"</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) een verzendrapport waaruit kan worden afgeleid dat deze brief op 19 juli 2013 om 15:25 uur is verzonden naar het faxnummer van de administratie van het Hof.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De hiervoor genoemde correspondentie bevindt zich niet bij de ingevolge het bepaalde in art. 434, eerste lid, Sv door de Griffier van het Hof aan de Griffier van de Hoge Raad gezonden stukken van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De inhoud van het hiervoor onder 2.2 sub 2 bedoelde stuk biedt echter voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat de stelbrief wel ter administratie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij de stukken bevindt zich het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan mr. Lintz is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen. Vervolgens heeft het Hof de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Het middel is terecht voorgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>	vernietigt de bestreden uitspraak;</para>
      <para>	wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffierS.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">10 oktober 2017</emphasis>.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>