<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:2450</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:30:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/05347</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2017:646" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:646, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2016:4309" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:4309, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2017/2326 met annotatie van Almer de Beer</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2017/230</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2017/2235</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2017/48.9</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2017/215</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2017/2508 met annotatie van mr. J.A.W. Vrolijks</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2017-2403</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2017092903</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2450">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2450</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-22T10:08:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:2450 Hoge Raad , 29-09-2017 / 16/05347</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:2450:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 6.27 Wet IB 2001, uitgaven niet aangemerkt als scholingsuitgaven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:2450:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>29 september 2017</para>
    <para>nr. 16/05347</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">[X] </emphasis>te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch</emphasis> van 23 september 2016, nr. 16/00059, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nr. BRE 15/2912) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>De Advocaat‑Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 juni 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:646).</para>
      <para>Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klachten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <para>Belanghebbende was in 2011 in loondienst bij een technisch bedrijf. Hij verrichtte daar licht administratief werk en verzorgde cursussen voor het bedienen van machines. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2.</nr>
        <para>Vanaf eind 2006 tot eind oktober 2013 dreef belanghebbende een juridisch adviesbureau in de vorm van een eenmanszaak. In zijn aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2011 heeft hij geen winst uit onderneming en geen resultaat uit een werkzaamheid aangegeven. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.3.</nr>
        <para>Sinds januari 2013 is belanghebbende enig aandeelhouder en bestuurder van een in de vorm van een besloten vennootschap gedreven juridisch adviesbureau (hierna: de vennootschap). In haar aangiften vennootschapsbelasting 2013 en 2014 heeft de vennootschap geen omzet en kosten aangegeven. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.4.</nr>
        <para>In 2011 heeft belanghebbende een aantal postacademische juridische cursussen gevolgd (hierna: de cursussen). In verband daarmee heeft hij in zijn aangifte IB/PVV voor 2011 in totaal € 13.764 aan kosten van de cursussen en van literatuur, kopiëren en mappen in aftrek gebracht als uitgaven in de zin van artikel 6.27 (tekst 2011) van de Wet IB 2001 (hierna: scholingsuitgaven). </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.5.</nr>
        <para>Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur alleen de kosten van de cursussen voor een bedrag van € 5501 als scholingsuitgaven in aftrek toegelaten. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>Voor het Hof was in geschil of de in 2.1.4 bedoelde kosten volledig in aftrek kunnen worden gebracht als scholingsuitgaven.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Het Hof heeft voormelde vraag in ontkennende zin beantwoord door het oordeel van de Rechtbank over te nemen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in redelijkheid kon verwachten na voltooiing van de cursussen daarmee inkomen te zullen verwerven. In aanvulling daarop heeft het Hof overwogen dat uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 6.27 Wet IB 2001 volgt dat een opleiding voor de toepassing van dat artikel ook mag zijn gevolgd met het oog op het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het behouden van inkomen. Daarover is echter niets aannemelijk geworden, aldus het Hof.</para>
          <para>Tevens heeft het Hof de oordelen van de Rechtbank overgenomen dat de uitspraak op bezwaar niet onvoldoende is gemotiveerd, de Inspecteur in de aanslag en/of bezwaarfase niet willekeurig heeft gehandeld en dat een schending van het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk is gemaakt.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>Tegen de hiervóór vermelde oordelen richt zich het beroepschrift in cassatie met zeven klachten.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2.</nr>
        <para>De klachten falen op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3.</nr>
        <para>Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>