<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2017:2383</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:38:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/02162</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2017:916" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:916, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2018/44 met annotatie van A.M.L. Jansen, L.M. Koenraad</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2017/353</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2017/1809</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2017/952</rdf:li>
          <rdf:li>JGz 2018/2 met annotatie van Oort, C. van</rdf:li>
          <rdf:li>GZR-Updates.nl 2017-0339</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2383">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2383</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-14T15:25:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2017:2383 Hoge Raad , 15-09-2017 / 17/02162</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2017:2383:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BOPZ. Machtiging voortgezet verblijf. Weigering van een verzoek om contra-expertise (art. 8 lid 6 Wet Bopz). Mocht deze weigering worden gebaseerd op medische rapporten die de advocaat van betrokkene niet kende?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2017:2383:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>15 september 2017</para>
    <para>Eerste Kamer</para>
    <para>17/02162</para>
    <para>RM/EE</para>
    <para />
    <para> Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Beschikking</para>
    <para> </para>
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] , </para>
      <para />
      <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
      <para />
      <para>advocaat: mr. G.E.M. Later,</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>		t e g e n</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>de OFFICIER VAN JUSTITIE <emphasis role="caps">NOORD-HOLLAND</emphasis>, </para>
      <para />
      <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
      <para />
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in feitelijke instantie</title>
    <parablock>
      <para>	Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 253616 van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2017.</para>
      <para>	De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>	Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
      <para>	De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ii) Op 31 januari 2017 heeft de rechtbank dit verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren onder meer aanwezig betrokkene, zijn advocaat en de behandelend arts van betrokkene.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>iii) De advocaat van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om een contra-expertise te gelasten.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend. Het verzoek om een contra-expertise te gelasten, heeft zij afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank als volgt:</para>
        <para>“3. (…) Het verzoek is niet onderbouwd en niet duidelijk is gemaakt waarom de conclusie van de geneeskundige verklaring in twijfel zou moeten worden getrokken. Betrokkene is al enkele jaren onder psychiatrische behandeling en heeft al veel psychiatrische onderzoeken door verschillende psychiaters ondergaan in verschillende klinieken, waaronder in Alkmaar, Amsterdam en in Heerhugowaard. Vanaf januari 2015 wordt in de ten behoeve van Bopz-machtigingen, door steeds verschillende psychiaters/specialisten ouderengeneeskunde, opgestelde geneeskundige verklaringen op basis van onderzoek van betrokkene steeds verklaard dat er bij betrokkene sprake is van alcoholdementie en/of cognitieve schade door jarenlange afhankelijkheid van alcohol. Gezien deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat betrokkene door het achterwege laten van een contra-expertise redelijkerwijs niet in zijn belangen wordt geschaad.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1</nr>
        <para>Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank haar oordeel tot afwijzing van de contra-expertise ten onrechte mede heeft gegrond op medische rapporten die bij de advocaat van betrokkene niet bekend waren.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2</nr>
        <para>De klacht is terecht voorgesteld. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat de advocaat van betrokkene zich erop heeft beroepen dat hij de medische rapporten waarnaar de behandelend arts tijdens de mondelinge behandeling verwees, niet had gezien. Nu de rechtbank niet heeft overwogen dat dit standpunt onjuist is, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat die rapporten bij de advocaat niet bekend waren. Gelet hierop had de rechtbank haar beslissing om een contra-expertise te weigeren, niet mogen baseren op die medische rapporten.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De overige klachten van onderdeel I en de klachten van onderdeel II behoeven geen behandeling.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2017;</para>
      <para>wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op <emphasis role="underline">15 september 2017</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>