<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2016:3380</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T09:08:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/05801</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2015:4010" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:4010, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:3380">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:3380</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-02T14:09:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2016:3380 Hoge Raad , 13-12-2016 / 15/05801</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2016:3380:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2016:3380:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>13 december 2016</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 15/05801</para>
    <para>MD</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 december 2015, nummer 22/002279-15, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Roos, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>3.	Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">13 december 2016</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Cassatieschriftuur in de strafzaak tegen [verdachte]</para>
      <para>Griffienummer : S 15/05801 </para>
      <para>Aan de Hoge Raad der Nederlanden te Den Haag</para>
      <para>Geeft eerbiedig te kennen:</para>
      <para>
        [verdachte] (geboren [geboortedatum]-1988), te dezer zake domicilie kiezende aan de Hillelaan 30 te Rotterdam (correspondentie: Postbus 51014, 3007 GÀ Rotterdam) ten kantore van de advocaat mr. N. Roos</para>
      <para>Dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 17 december 2015, het navolgende middel van cassatie voordraagt:</para>
      <para>Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350 en 359 van het Wetboek van Strafvordering geschonden.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Middel 1.</emphasis>
      </para>
      <para>Door de verdediging is in hoger beroep een beroep gedaan op strafvermindering, zulks door middel van de navolgende motivering: </para>
      <para>“<emphasis role="italic">Cliënt is op 31 maart 2013 aangehouden inzake het ten laste gelegde feit. Inmiddels is dit al meer dan twee en een halfjaar geleden. Er is zelfs sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, nu de zitting bij de politierechter pas heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. Dit is ruim twee jaar na de pleegdatum.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Daarnaast is cliënt sinds die bewuste dag in maart 2013 niet meer betrokken geweest bij incidenten waarbij alcohol dan wel het verkeer een rol speelde. Sterker nog, cliënt drinkt helemaal niet meer. Bovendien was cliënt first offender voor een delict als deze.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een geldboete ter hoogte van duizend euro én een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden is niet langer opportuun te achten, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat cliënt heeft laten zien geen dat hij geen recidivist is, maar dat hij zich juist verantwoordelijk en veilig gedraagt in het verkeer. Een dermate hoge geldboete na meer dan twee jaar is in het licht van het voorgaande dan ook disproportioneel. Zeker gezien het feit dat cliënt al reeds zes maanden zijn rijbewijs kwijt is geweest. Hij heeft dus al een flinke straf gehad, waar hij van heeft geleerd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voornoemde omstandigheden, met name in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen een lagere straf.“</emphasis>
      </para>
      <para>De veroordeling en de opgelegde straf is niet langer proportioneel te noemen gelet op de persoonlijke omstandigheden van requirant en de aangevoerde feiten en omstandigheden. Het Hof heeft in zijn geheel niet (inhoudelijk) gereageerd op het gemotiveerde beroep op strafvermindering.</para>
      <para>Op grond van de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 dient de rechter zowel op de onderbouwde standpunten van de officier van justitie (als ook de Advocaat-Generaal) als van die van de verdediging ingaan. Deze wet is van kracht sedert 1 januari 2005 en heeft te gelden voor alle zaken waarin het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten na de datum van de inwerkingtreding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter terechtzitting in onderhavige zaak is gesloten op 11 maart 2016. Voornoemde wet is derhalve van toepassing op het in deze door het hof gewezen arrest. Het in het geheel niet responderen op gevoerde verweren en vanwege het OM betoogde standpunten is in strijd met voornoemde wet.</para>
      <para>In dit kader wordt nog verwezen naar een eerdere uitspraak van Uw Raad d.d. 28 november 2006 (nr. 02597/05; NJ 2007 nr. 122). Uw Raad overweegt daar (3.4) “Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de verklaringen van aangever kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door geen enkele motivering te geven ook niet middels een aanvulling als bedoeld in het derde lid van art. 359 lid 3, maar heeft - in strijd met art. 359, tweede en derde lid Sv - niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim hééft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg. 1</para>
      <para>Het bovenstaande brengt derhalve nietigheid met zich mede.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>