<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2016:3342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T09:03:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/05188</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel80aROzaken">Artikel 80a RO-zaken</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2015:4008" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:4008, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:3342">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:3342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-07T09:03:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2016:3342 Hoge Raad , 13-12-2016 / 15/05188</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2016:3342:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2016:3342:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>13 december 2016</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 15/05188</para>
    <para>CeH</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2015, nummer 22/004015-14, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.</para>
    <para />
    <bridgehead role="underline">1.	Geding in cassatie</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.J.W. de Water, advocaat te Katwijk, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="underline">2.	Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
      <para>	De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="underline">3.	Beslissing</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">13 december 2016</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">CASSATIESCHRIFTUUR</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Op 12 september 2014 is onderhavige zaak inhoudelijk behandeld door de politierechter van de rechtbank Den Haag, waar [verdachte] zowel van het primaire als het subsidiaire ten laste gelegde is vrijgesproken.<?linebreak?>Het openbaar ministerie is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.</para>
      <para>De zaak is op 28 september 2015 in hoger beroep behandeld door het Gerechtshof Den Haag. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd bij uitspraak op 12 oktober 2015 en [verdachte] onder andere veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Middelen van cassatie</title>
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] voert 1 cassatiemiddel aan tegen het arrest van het hof.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Middel 1</emphasis>
        <?linebreak?>Het recht is geschonden en/of er zijn vormen, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, geschonden. In het bijzonder is artikel 359, derde lid Sv geschonden, in welk artikel is opgenomen dat de bewezenverklaring moet steunen op de inhoud van de in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen juncto 359 lid 2 Sv, zodat de beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd doordat het hof op basis van die bewijsmiddelen bewezen heeft verklaard.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toelichting</emphasis>
        <?linebreak?>De kern van dit middel is de vraag of het bewezen verklaarde “diefstal gepleegd” uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Het middel klaagt dat het bewezen verklaarde diefstal gepleegd niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.<?linebreak?>Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:<?linebreak?><emphasis role="italic">“hij in of omstreeks 8 september 2014 te Leiden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een harde schijf en een laptop en een spaarpot met inhoud en een playstation 3 en meerdere dvd’s en meerdere muziekinstrumenten toebehorende aan [betrokkene] ”</emphasis></para>
      <para>De verdediging heeft bij het Hof middels een uitdrukkelijk onderbouwd en gemotiveerd verweer betoogd dat er wettig bewijs ontbreekt. Het Hof heeft dit verweer verworpen. Het Hof motiveert het arrest als volgt:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Het hof grondt zijn overtuiging zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toelichting</emphasis>
        <?linebreak?>De verdediging stelt dat er sprake is van een Meer en Vaart-verweer. Immers als de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van het gevoerde is niet met de inhoud strijdige verweer, meer mogelijkheden openlaat dan hetgeen bewezen is verklaard. De inhoud van de bewijsmiddelen blijkt na het verweer niet zonder meer dwingend genoeg voor de conclusie dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging stelt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.<?linebreak?>De verdediging is van mening dat niet kan worden vastgesteld met welk oogmerk de in het dossier genoemde goederen in de kamer van de verdachte zijn terechtgekomen, mede gelet op de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht het de verdediging de alternatieve toedracht van de verdachte zoals door en namens de verdachte naar voren is gebracht, aannemelijk. Immers de verdediging is van mening dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, niet kan worden vastgesteld dat verdachte goederen heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, mede gelet op de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien. In het dossier ontbreken hiervoor afdoende/wettige bewijsmiddelen namelijk de verklaring(en) van getuig(en) medebewoners. Getuige [getuige] heeft verklaard over de aanwezigheid van de goederen van aangever in zijn kamer, echter dit is niet aan te merken als een poging van verdachte om de goederen van aangever te verhullen dan wel dat de verdachte de goederen heeft met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.</para>
      <para>De verdachte heeft van af het beging bij de politie verklaard de goederen voor aangever in bewaring te hebben genomen. De politie heeft verzuimd aangever en getuige [getuige] hierover nader te horen.</para>
      <para>De uitspraak is in dit opzicht dan ook ontoereikend gemotiveerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para>Het is op voormelde gronden, dat requirant tot cassatie de eer heeft Uw Hoge Raad te verzoeken de bestreden uitspraak te vernietigen en tot een nieuwe inhoudelijke behandeling te beslissen althans met verdere voorziening als het Uw Hoge Raad in goede justitie mag vermenen te behoren.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>