<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2016:2670</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:15:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-11-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/05757</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2016/0768 met annotatie van Wendy Nent</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2016/62.11</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2017/10</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2016/2556</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2017/23 met annotatie van E. THOMAS</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2017/0307</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2016/2925 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2016-2871</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2016112507</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2670">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2670</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-24T08:27:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2016:2670 Hoge Raad , 25-11-2016 / 12/05757</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2016:2670:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskosten. Art. 8:75 Awb. De enkele omstandigheid dat het gerechtshof de in hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank vernietigt, levert geen grond op voor een veroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb van de inspecteur wiens hoger beroep heeft geleid tot die vernietiging en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2016:2670:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>25 november 2016</para>
    <para>nr. 12/05757</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">[X] B.V. </emphasis>te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch</emphasis> van 2 november 2012, nr. 08/00581, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/3276) betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan accijns. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para>	Belanghebbende heeft het incidentele beroep in cassatie beantwoord. </para>
      <para>	Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.</para>
      <para>Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van 12 mei 2016, Toorank Productions B.V., gevoegde zaken C-532/14 en C-533/14, ECLI:EU:C:2016:337, BNB 2016/173, van het Hof van Justitie van de Europese Unie.</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">2. Beoordeling van de door belanghebbende in het principale beroep voorgestelde middelen</emphasis>
      </para>
      <para>De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">3. Beoordeling van het door de Staatssecretaris in het incidentele beroep voorgestelde middel</emphasis>
      </para>
      <para>Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende op de grond dat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd. </para>
      <para>Het middel slaagt. De enkele omstandigheid dat het gerechtshof de in hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank vernietigt, levert geen grond op voor een veroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb van de inspecteur wiens hoger beroep heeft geleid tot die vernietiging en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep. Aangezien het Hof zijn bestreden beslissing niet van een verdere motivering heeft voorzien en voorts noch uit de uitspraak van het Hof noch uit de stukken van het geding blijkt van omstandigheden die een uitzondering op de hiervoor weergegeven regel rechtvaardigen, kan ’s Hofs uitspraak in zoverre niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Slotsom</title>
    <para>Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3 is overwogen moet verwijzing volgen.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,</para>
      <para>verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,</para>
      <para>vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de proceskosten, en</para>
      <para>verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>