<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2016:2652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:12:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/05793</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2016:1091" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1091, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2014:5082" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:5082</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=416">Wetboek van Strafvordering 416</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=427">Wetboek van Strafvordering 427</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2016/1219</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2017-0010</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2017/3</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2652">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-22T08:43:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2016:2652 Hoge Raad , 22-11-2016 / 14/05793</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2016:2652:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Degene die de beroepen in cassatie heeft ingesteld is daarin n-o. Art. 427 Sv. Hof heeft verdachte o.g.v. art. 416.2 Sv n-o verklaard in zijn h.b. Beroep in cassatie kan slechts worden ingesteld door of namens verdachte of OM. Als verdachte geldt degene op wiens naam een vonnis/arrest staat. I.c. is degene die de cassatieberoepen heeft ingesteld n-o aangezien uit aktes cassatieberoep blijkt dat diegene niet verdachte is te wiens laste de bestreden beslissingen zijn gewezen. HR merkt voorts op dat de tenuitvoerlegging van de bij vonnis in e.a. opgelegde straffen slechts betrekking mag hebben op degene op wiens naam dit vonnis staat. CAG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2016:2652:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>22 november 2016</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 14/05793</para>
    <para>MD/EC</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 16 september 2014 en 5 november 2014, nummer 23/002872-13, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">N.N., zich noemende [A]</emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De beroepen zijn ingesteld door [A]. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van 16 september 2014, tot vernietiging van de uitspraak van 5 november 2014 en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevinden zich:</para>
      <para>(i) een inleidende dagvaarding in deze zaak, inhoudende dat wordt gedagvaard "[A]";</para>
      <para>(ii) het vonnis in eerste aanleg in deze zaak, inhoudende dat het is gewezen ten laste van "de verdachte, zich noemende [A], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande, aan wie de als bijlage I bijgevoegde foto en registratiekaart toebehoren" en waarbij deze is veroordeeld ter zake van 1. witwassen en 2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van twaalf maanden;</para>
      <parablock>
        <para>(iii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat tegen voormeld vonnis hoger beroep is ingesteld namens de verdachte;</para>
        <para>(iv) een arrest in deze zaak van 16 september 2014 waarbij het Hof de op naam van "[A]" uitgebrachte appeldagvaarding nietig heeft verklaard, op de grond dat niet "[A]" maar "de verdachte zich noemende [A]", tegen wie het vonnis in eerste aanleg is gewezen, gedagvaard had behoren te worden;</para>
      </parablock>
      <para>(v) een akte rechtsmiddel inhoudende dat tegen voormeld arrest beroep in cassatie is ingesteld namens "[A]", en een aan die akte gehechte bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van dat rechtsmiddel van de advocaat G.A. Jansen aan een griffiemedewerker, inhoudende dat haar cliënt is genaamd "[A]";</para>
      <parablock>
        <para>(vi) een appeldagvaarding ten name van "Zich noemende [A]" om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2014; </para>
        <para>(vii) een arrest in deze zaak van 5 november 2014, inhoudende dat dit is gewezen ten laste van "N.N., zich noemende [A]" en waarbij het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv;</para>
        <para>(viii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat tegen voormeld arrest beroep in cassatie is ingesteld namens "[A]", en een aan die akte gehechte bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van dat rechtsmiddel van de advocaat G.A. Jansen aan een griffiemedewerker, inhoudende dat haar cliënt is genaamd "[A]".</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Degene op wiens naam een vonnis of arrest staat, moet worden aangemerkt als degene te wiens laste die uitspraak is gewezen. Die persoon is de verdachte in de strafzaak.</para>
        <para>Ingevolge art. 427 Sv kan het beroep in cassatie slechts worden ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet hierop en in aanmerking genomen dat, zoals onder 2 sub (v) en (viii) is weergegeven, degene namens wie blijkens de daarvan opgemaakte aktes de cassatieberoepen zijn ingesteld, stelt niet de verdachte te zijn te wiens laste de bestreden beslissingen zijn gewezen, kan deze niet in de beroepen worden ontvangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Opmerking verdient nog het volgende. De bij het onder 2.1 sub (ii) vermelde vonnis uitgesproken veroordeling betreft "de verdachte, zich noemende [A], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande, aan wie de als bijlage I gevoegde foto en registratiekaart toebehoren". Het is, voor zover de tenuitvoerlegging van dit vonnis is toegelaten, uitsluitend deze persoon op wie de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis opgelegde straffen betrekking mag hebben. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad verklaart degene namens wie de beroepen in cassatie zijn ingesteld, daarin niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de  griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">22 november 2016</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>