<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2016:1459</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:29:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/02518</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2016:295" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:295, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2016/299</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2016/823</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1459">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1459</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-08T09:04:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2016:1459 Hoge Raad , 08-07-2016 / 15/02518</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2016:1459:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appelprocesrecht. Pilotreglement hof Amsterdam. Akte niet dienen. Verlening van korte nadere termijn voor memorie van grieven. (HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2016:1459:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>8 juli 2016</para>
    <para>Eerste Kamer</para>
    <para>15/02518</para>
    <para>LZ/AS</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [eiser 1],<?linebreak?>wonende te [woonplaats], </para>
      <para>2. ORTHOCYL B.V.,<?linebreak?>gevestigd te Bosch en Duin, gemeente Zeist, </para>
      <para>EISERS tot cassatie, </para>
      <para>advocaat: mr. R.F. Thunnissen,</para>
      <para />
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>		t e g e n</para>
      <para />
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>1. [verweerder 1],<?linebreak?>wonende te [woonplaats], </para>
      <para>2. [verweerster 2],<?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats], </para>
      <para>VERWEERDERS in cassatie, </para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en [verweerders]</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in feitelijke instanties</title>
    <para>	Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: </para>
    <para>a.	de vonnissen in de zaak C/14/133185/HA ZA 11-653 van de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2012, 29 mei 2013, 11 september 2013, 20 november 2013, 8 januari 2014 en 4 juni 2014;</para>
    <para>b.	het arrest in de zaak 200.156.438/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2015. </para>
    <para>	Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>	Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. <?linebreak?>De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	Tegen [verweerders] is verstek verleend. </para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2015 alsmede van de rolbeslissing van 13 januari 2015 en tot terugwijzing naar dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <para>(i) 	[eisers] vorderen in dit geding onder meer veroordeling van [verweerders] tot het betalen van schadevergoeding op de grond dat [verweerders] de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.</para>
      <parablock>
        <para>(ii) 	[eisers] hebben bij dagvaarding van 11 juli 2014 hoger beroep ingesteld. De zaak is aangebracht op de rol van 30 september 2014.</para>
        <para>(iii) Op 27 november 2014 is verstek verleend tegen [verweerders]</para>
        <para>(iv) 	Op de rol van 13 januari 2015 is verval verleend van het recht van [eisers] op het nemen van een memorie van grieven.</para>
      </parablock>
      <para>(v) 	Bij arrest van 10 februari 2015 heeft het hof [eisers] bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1</nr>
        <para>Het middel klaagt dat het hof [eisers] zonder enige waarschuwing niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens het middel had het hof [eisers] een laatste kans moeten bieden om het verzuim te herstellen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2</nr>
        <para>In het onderhavige geval is een pilotreglement toegepast dat aanmerkelijk afwijkt van het landelijk procesreglement, in die zin dat sprake is van één termijn voor het indienen van memories, die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend. De Hoge Raad heeft daarover eerder overwogen: (i) dat de goede procesorde meebrengt dat – met toepassing van art. 1.6 van het pilotreglement – het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen en (ii) dat in een geval waarin niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend, die afweging zonder meer dient te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen (HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3</nr>
        <para>Het middel is dus terecht voorgesteld.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Nu [verweerders] de bestreden beslissingen van het hof niet hebben uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2015 alsmede de rolbeslissing van dat hof van 13 januari 2015;</para>
      <para>wijst het geding terug naar dat hof  ter verdere behandeling en beslissing;</para>
      <para>reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;</para>
      <para>begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eisers] op € 929,68 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerders] op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op <emphasis role="underline">8 juli 2016</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>