<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2015:601</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:21:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11/03897</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2015:193" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:193, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2015/441</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2015/651</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2015-0141</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:601">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:601</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-03-17T10:05:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2015:601 Hoge Raad , 17-03-2015 / 11/03897</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2015:601:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>N-o verklaring klaagster in cassatieberoep, conservatoir beslag in Noorwegen. Klaagschrift strekkende tot teruggave van een aantal - i.h.k.v. een rechtshulpverzoek van het Koninkrijk Noorwegen - conservatoir inbeslaggenomen goederen is ongegrond verklaard. Door de Noorse autoriteiten was een rechtshulpverzoek gedaan t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Noorwegen gewezen beslissing waarbij X - aan wie de goederen volgens het Noorse OM toebehoren - is veroordeeld tot betaling van geldbedragen ter ontneming van w.v.v.. Bij uitspraak van de Rb Rotterdam d.d. 16 april 2014 is de tenuitvoerlegging van deze Noorse rechterlijke beslissing toelaatbaar verklaard. X is bij arrest van de HR (ECLI:NL:HR:2014:3382) n-o verklaard in zijn cassatieberoep tegen die beschikking. Door het daarmee onherroepelijk worden van de Noorse uitspraak kon worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de Noorse ontnemingsvordering. Het verhaal van de in het beklag bedoelde voorwerpen vindt o.g.v. art. 574 Sv plaats op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rv. Dit betekent dat klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rb Rotterdam waarin haar beklag ongegrond is verklaard. Klaagster zal zich o.g.v. art. 574.3 Sv t.a.v. de in het klaagschrift bedoelde goederen moeten wenden tot de burgerlijke rechter.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2015:601:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>17 maart 2015</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 11/03897 B</para>
    <para>ABG/SG</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2011, nummer RK 10/970, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [klaagster]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het door haar ingestelde cassatieberoep.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2011 waarbij een klaagschrift van de klaagster strekkende tot teruggave aan haar van een aantal - in het kader van een rechtshulpverzoek van het Koninkrijk Noorwegen - conservatoir inbeslaggenomen goederen ongegrond is verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het betreft hier goederen waarop naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Noorse autoriteiten door het Openbaar Ministerie conservatoir beslag is gelegd. Het Noorse Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat deze goederen aan [betrokkene] toebehoren. De Noorse autoriteiten hebben een rechtshulpverzoek gedaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een in Noorwegen gewezen rechterlijke beslissing waarbij - kort gezegd - voornoemde [betrokkene] is veroordeeld tot betaling van geldbedragen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uitspraak van 16 april 2014 van de Rechtbank Rotterdam waarin de tenuitvoerlegging van deze Noorse rechterlijke beslissing toelaatbaar is verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij arrest van 25 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3382) heeft de Hoge Raad [betrokkene] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem tegen deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam ingestelde cassatieberoep. Daarmee is de beslissing tot tenuitvoerlegging van de Noorse uitspraak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] onherroepelijk geworden en kon op dat moment worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de Noorse ontnemingsvordering.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het verhaal van de in het beklag bedoelde voorwerpen vindt op grond van art. 574, eerste lid, Sv plaats op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voorts houdt het derde lid van dit wetsartikel in dat ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen eveneens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Dit betekent dat de klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2011 waarin haar beklag ongegrond is verklaard. De klaagster zal zich op grond van art. 574, derde lid, Sv ten aanzien van de in het klaagschrift bedoelde goederen moeten wenden tot de burgerlijke rechter.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De klaagster dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">17 maart 2015</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>