<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2014:2481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T20:49:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-08-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/00740</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2014:1522" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1522</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854">Wetboek van Strafrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=15f">Wetboek van Strafrecht 15f</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2014/1023</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2014/208</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:2481">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:2481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-08-26T16:19:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2014:2481 Hoge Raad , 26-08-2014 / 14/00740</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2014:2481:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tegen de beslissing tot toewijzing van de vordering tot uitstel van de v.i. staat gelet op art. 15f.5 Sr geen h.b. open, terwijl uit dezelfde bepaling volgt dat geen cassatieberoep openstaat tegen ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in zijn h.b. HR verklaart de veroordeelde n-o in het cassatieberoep. CAG: art. 80a RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2014:2481:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>26 augustus 2014</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. S 14/00740 </para>
    <para>ES</para>
    <para> </para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beslissing van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 januari 2014, nummer 001535-13, in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [de veroordeelde]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. J.M. Stad, advocaat te Boxmeer, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.</para>
      <para>	De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <parablock>
      <para>De Officier van Justitie heeft bij de Rechtbank Limburg een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde. De Rechtbank heeft deze vordering bij beslissing van 10 juli 2013 toegewezen. </para>
      <para>Gelet op art. 15f, vijfde lid, Sr heeft het Hof terecht geoordeeld dat tegen die beslissing geen hoger beroep openstaat, terwijl uit dezelfde bepaling volgt dat geen cassatieberoep openstaat tegen 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in zijn hoger beroep. De veroordeelde kan dus niet worden ontvangen in het cassatieberoep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Deze beslissing is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">26 augustus 2014</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>