<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2013:CA3319</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:43:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">CA3319</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/04738 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2013:CA3319" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3319</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=262">Wetboek van Strafvordering 262</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=552a">Wetboek van Strafvordering 552a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2013/837</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2013/357</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2013/1691</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2013-0276</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2013/268</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2013:CA3319">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2013:CA3319</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:23:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2013:CA3319 Hoge Raad , 18-06-2013 / 12/04738 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2013:CA3319:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatieberoep gericht tegen een in h.b. gegeven beschikking waarbij een door verdachte ingediend bezwaarschrift tegen de dagvaarding alsnog ongegrond is verklaard. De opvatting dat de rechter die in een door het OM ingesteld beroep over een bezwaarschrift tegen de dagvaarding heeft te beslissen alleen de inhoud van het aan de eerste rechter ter beschikking gestelde dossier in zijn oordeel mag betrekken, en derhalve geen acht mag slaan op processtukken die het OM na het instellen van zijn beroep heeft overgelegd, vindt geen steun in het recht. Ook bij de beslissing op een door het OM ingesteld beroep tegen een op de voet van art. 262 Sv uitgesproken (gedeeltelijke) buitenvervolgingstelling is de rechter bevoegd, en in beginsel ook gehouden, alle aan hem ter beschikking gestelde processtukken in zijn beoordeling te betrekken. Het Hof was niet gehouden uiteen te zetten hoe de inhoud van het op dat moment uit 107 ordners bestaande procesdossier zijn oordeel dat de zittingsrechter later oordelend een bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit kan bereiken, kan dragen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2013:CA3319:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>18 juni 2013</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. S 12/04738 B</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Beschikking</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 september 2012, nummer 000582-12, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv, ingediend door:</para>
      <para>[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
      <para>De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Procesgang en de bestreden beschikking</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het cassatieberoep is gericht tegen een in hoger beroep gegeven beschikking waarbij een door de verdachte ingediend bezwaarschrift tegen de dagvaarding alsnog ongegrond is verklaard. </para>
      <para>Voor het verloop van de procedure en de motivering van de bestreden beschikking verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1 en 4.2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het middel klaagt dat het Hof het bezwaarschrift ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd alsnog ongegrond heeft verklaard. </para>
    <para />
    <para>3.2. Voor zover het middel steunt op de opvatting dat de rechter die in een door het openbaar ministerie ingesteld beroep heeft te beslissen over een bezwaarschrift tegen de dagvaarding alleen de inhoud van het aan de eerste rechter ter beschikking gestelde dossier in zijn oordeel mag betrekken, en derhalve geen acht mag slaan op processtukken die het openbaar ministerie na het instellen van zijn beroep heeft overgelegd, faalt het omdat een dergelijke beperking geen steun vindt in het recht. Ook bij de beslissing op een door het openbaar ministerie ingesteld beroep tegen een op de voet van art. 262 Sv uitgesproken (gedeeltelijke) buitenvervolgingstelling is de rechter bevoegd, en in beginsel ook gehouden, alle aan hem ter beschikking gestelde processtukken in zijn beoordeling te betrekken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof niet (nader) heeft gemotiveerd waarom uit de inhoud van het op dat moment uit 107 ordners bestaande procesdossier blijkt dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, een bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit kan bereiken, kan het evenmin doel treffen. </para>
      <para>Het Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat het kennis heeft genomen van de stukken van het dossier, en was, mede gelet op het verhandelde bij de behandeling in raadkamer, niet gehouden uiteen te zetten hoe de inhoud van die stukken zijn oordeel kan dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.4. Het middel faalt.</para>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>