<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2011:BO0082</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:00:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO0082</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/01569 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2011:BO0082" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO0082</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=129">Wetboek van Strafvordering 129</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=410a">Wetboek van Strafvordering 410a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=427">Wetboek van Strafvordering 427</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2011/859</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2011/1417</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2013/560 met annotatie van P. Mevis</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2011/233</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BO0082">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BO0082</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:03:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2011:BO0082 Hoge Raad , 28-06-2011 / 09/01569 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2011:BO0082:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep in cassatie tegen een vonnis van de Politierechter en een beschikking van het Hof als bedoeld in art. 410a.4 Sv. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen vonnis Politierechter. 2. Buiten behandeling laten hoger beroep. Art. 129 en 410a Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikking Hof. Ad 1. Ingevolge art. 427 Sv staat tegen het vonnis van de Politierechter geen beroep in cassatie open. Hieruit volgt dat verdachte in zoverre niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep. Ad 2. Verdachte is bij vonnis van de Politierechter veroordeeld ter zake van poging tot een misdrijf dat in art. 311 Sr is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren. De Voorzitter van het Hof heeft dus – gelet op art. 129 Sv – ten onrechte toepassing gegeven aan art. 410a Sv. Nochtans kan verdachte niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie immers alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. In dat wetboek komt geen bepaling voor volgens welke beroep in cassatie openstaat tegen een beschikking als bedoeld in art. 410a.4 Sv van de voorzitter van een gerechtshof om een ingesteld hoger beroep buiten behandeling te laten (vgl. HR LJN BG6595).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2011:BO0082:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>28 juni 2011</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 09/01569 B</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Beschikking</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 17 september 2008, nummer 03/501055-07, almede tegen een beschikking als bedoeld in art. 410a, vierde lid, Sv van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 februari 2009, nummer 20/003577-08, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende te [woonplaats]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M.J. Graus, advocaat te Heerlen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para>De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep in cassatie tegen de beschikking van de voorzitter van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 februari 2009, alsmede dat de Hoge Raad verstaat dat het hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 17 september 2008 geen geval betreft als beschreven in art. 410a lid 1 Sv, dat de zaak op de voet van art. 412 Sv ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig dient te worden gemaakt en dat de stukken van het geding ter fine als voormeld zullen worden gezonden aan de griffier van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Procesgang</para>
    <para />
    <para>2.1. De verdachte is bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 17 september 2008 ter zake van "poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking" veroordeeld tot een geldboete van € 400,--. Tegen dit vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>2.2. De Voorzitter van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij beschikking op de voet van art. 410a Sv van 27 februari 2009 beslist dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten.</para>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep voor zover dat is gericht tegen het vonnis van de Politierechter </para>
    <para />
    <para>Ingevolge art. 427 Sv staat tegen het vonnis van de Politierechter geen beroep in cassatie open. Hieruit volgt dat de verdachte in zoverre niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep. </para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het middel voor zover dat is gericht tegen de beschikking van de Voorzitter van het Gerechtshof</para>
    <para />
    <para>4.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de Voorzitter het hoger beroep niet buiten behandeling had mogen laten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Art. 129 Sv luidt:</para>
      <para>"Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 410a, Sv luidt, voor zover hier van belang:</para>
      <para>"1. Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.</para>
      <para>4. In het andere geval beslist de voorzitter bij een met redenen omklede beschikking dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten. Deze beschikking geldt als een beslissing op het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 557, eerste lid.</para>
      <para>7. In het geval, bedoeld in het vierde lid, staat tegen het vonnis waarop de beschikking van de voorzitter betrekking heeft, geen beroep in cassatie open."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3. De verdachte is bij vonnis van de Politierechter veroordeeld ter zake van poging tot een misdrijf dat in art. 311 Sr is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. De Voorzitter van het Hof heeft dus - gelet op art. 129 Sv - ten onrechte toepassing gegeven aan art. 410a Sv. Nochtans kan de verdachte niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie immers alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. In dat wetboek komt geen bepaling voor volgens welke beroep in cassatie openstaat tegen een beschikking als bedoeld in art. 410a, vierde lid, Sv van de voorzitter van een gerechtshof om een ingesteld hoger beroep buiten behandeling te laten (vgl. HR 31 maart 2009, LJN BG6595, NJ 2010/338).</para>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2011.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>