<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2008:BF3779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:17:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BF3779</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2008-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">07/10389</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2008:BF3779" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF3779</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2008, 959</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2009, 131</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BF3779">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BF3779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T03:28:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2008:BF3779 Hoge Raad , 16-12-2008 / 07/10389</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2008:BF3779:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>1. Redelijke termijn. 2. Verjaring. Ad 1. O.g.v. HR LJN BD2578 kan het middel niet leiden tot n-o van het OM. Strafkorting. Ad 2. HR ambtshalve: o.g.v. art. 72.2 Sr, zoals dat luidde van 1-1-2006 tot 7-7-2006, beloopt de verjaringstermijn v.w.b. de feiten 2 en 3 ten hoogste tweemaal 2 jaar. Derhalve is het recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2008:BF3779:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>16 december 2008</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>Nr. 07/10389</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van  28 april 2005, nummer 20/000270-04, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Torentijd" te Middelburg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para>De Advocaat-Generaal Vellinga heeft ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 02-006149-02 onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten, geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, en voor het overige geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden en dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijk-</para>
      <para>verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging dan wel tot strafvermindering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2. Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Overschrijding van die termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358). In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de bij de inzending van de stukken opgetreden vertraging de zaak pas in behandeling kan nemen nadat meer dan tweeënveertig maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden te verminderen met één maand.</para>
    <para />
    <para>3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat: </para>
      <para>"2. hij op 22 mei 2002 te Wouw, gemeente Roosendaal, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Molensingel, zonder dat aanhem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;</para>
      <para>3. hij op 22 mei 2002 te Wouw, gemeente Roosendaal, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Molensingel, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.1.2. Het hiervoor onder 2 genoemde feit is strafbaar gesteld bij art. 107, eerste lid, (oud) in verbinding met art. 177, eerste lid onder a, (oud) Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Het tenlastegelegde wordt in art. 178, eerste lid, WVW 1994 als een overtreding aangemerkt. Het hiervoor onder 3 genoemde feit is strafbaar gesteld bij art. 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Het tenlastegelegde wordt in art. 30 van die wet als een overtreding aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>3.2. De onderhavige overtredingen zijn volgens de tenlastelegging begaan op 22 mei 2002. Op grond van het tweede lid van art. 72 Sr zoals dat luidde van 1 januari 2006 tot 7 juli 2006, beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogte twee maal twee jaar. Wat betreft deze feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.</para>
    <para />
    <para>4. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.</para>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 02-006149-02 betreft, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd;</para>
      <para>verklaart de Officier van Justitie in zoverre alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging;</para>
      <para>vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze de overige feiten betreft, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;</para>
      <para>vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden beloopt;</para>
      <para>verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E.  Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 december 2008.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>