<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2006:AZ0668</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:46:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AZ0668</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03108/05</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2006:AZ0668" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0668</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2006, 765</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2007, 93 met annotatie van J.M. Reijntjes</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2006, 1162</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2007, 68</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AZ0668">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AZ0668</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:39:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2006:AZ0668 Hoge Raad , 05-12-2006 / 03108/05</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2006:AZ0668:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof veroordeelde verdachte t.z.v. een WAM-overtreding tot een voorwaardelijke geldboete van € 288,-, subsidiair 5 dagen hechtenis. In de tekst van art. 427 Sv wordt geen onderscheid gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk opgelegde geldboetes. Ook aan de strekking van deze bepaling kan niet een voldoende duidelijk aanknopingspunt worden ontleend voor de uitleg dat dit art. enkel betrekking heeft op onvoorwaardelijke geldboetes. De verdachte kan derhalve in zijn beroep worden ontvangen. HR wijst tussenarrest om AG, die concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring, alsnog in de gelegenheid te stellen zich over de middelen uit te laten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2006:AZ0668:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>5 december 2006</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 03108/05</para>
      <para>AJ/CAW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Tussenarrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 juli 2005, nummer 21/004219-04, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Arnhem van 2 juli 2004 - de verdachte ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" veroordeeld tot een geldboete van € 288,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, subsidiair 5 dagen hechtenis.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. </para>
      <para>De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het bestreden arrest heeft betrekking op een overtreding van art. 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering</para>
      <para>motorrijtuigen. Op grond van art. 36 van de genoemde wet is dit delict een overtreding. Het Hof heeft ter zake van dat feit de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 288,-, subsidiair vijf dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Ingevolge het tweede en derde lid van art. 427 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien</para>
      <para>(a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,-, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam. </para>
      <para>3.3. In de tekst van art. 427 Sv wordt geen onderscheid gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk opgelegde geldboetes. Ook aan de strekking van deze bepaling kan niet een voldoende duidelijk aanknopingspunt worden ontleend voor de uitleg dat dit artikel enkel betrekking heeft op geldboetes die onvoorwaardelijk zijn opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.4. De verdachte kan derhalve in zijn beroep worden ontvangen. </para>
    <para />
    <para>4. Slotsom</para>
    <para />
    <para>De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte. Nu de Hoge Raad de verdachte wel ontvankelijk acht in zijn beroep en de voorgestelde middelen bespreking behoeven, behoort de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te worden gesteld zich alsnog uit te laten over de middelen. Daartoe dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.</para>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>Verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 december 2006;</para>
      <para>Houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dit tussenarrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 5 december 2006.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>