<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2006:AY9169</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:05:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AY9169</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00016/06 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2006:AY9169" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY9169</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=552p">Wetboek van Strafvordering 552p</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2006, 787</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2007, 11</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2007, 18</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2007/5</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AY9169">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AY9169</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:34:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2006:AY9169 Hoge Raad , 12-12-2006 / 00016/06 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2006:AY9169:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlof ex art. 552p Sr. Aan het voorschrift dat de rechter verlof tot overdracht dient te geven wordt iedere betekenis ontnomen indien de stukken reeds voordat op het verzochte verlof onherroepelijk is beslist aan opsporingsambtenaren van de verzoekende Staat worden verstrekt (HR NJ 2002, 580). Dit behoeft i.c. niet tot cassatie te leiden. De Rb heeft verlof kunnen verlenen tot het ter beschikking stellen van de stukken aan de OvJ met het oog op afgifte aan de Duitse autoriteiten. Daarvan uitgaande valt niet in te zien welk strafvorderlijk belang betrokkene, die slechts stelt dat zij a.g.v. de gang van zaken een groot omzetverlies heeft geleden of nog zal lijden, heeft bij de klacht dat deze autoriteiten reeds kennis hebben kunnen nemen van de desbetreffende stukken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2006:AY9169:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12 december 2006</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 00016/06 B</para>
      <para>IV/CAW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Beschikking</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 25 oktober 2005, naar aanleiding van een door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in voormelde Rechtbank, gevraagd verlof als bedoeld in artikel 552p, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:</para>
      <para>[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden beschikking</para>
    <para />
    <para>De Rechtbank heeft verlof verleend aan de Rechter-Commissaris om de stukken van overtuiging aan de Officier van Justitie ter beschikking te stellen en onder het voorbehoud dat bij afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat deze stukken worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. V.C.A. van Wijk, advocaat te Nijmegen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het tweede, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde middel</para>
    <para />
    <para>De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <para>4.1. Het middel bevat de klacht dat reeds voordat de beschikking, waarbij het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof is verleend, onherroepelijk is geworden, de desbetreffende bescheiden ter beschikking van de verzoekende Staat zijn gesteld.</para>
    <para />
    <para>4.2. Aan het voorschrift dat de rechter verlof tot overdracht dient te geven wordt iedere betekenis ontnomen indien de stukken reeds voordat op het verzochte verlof onherroepelijk is beslist aan opsporingsambtenaren van de verzoekende Staat worden verstrekt (vgl. HR 19 maart 2002, NJ 2002, 580, rov. 3.6). In zoverre slaagt de klacht.</para>
    <para />
    <para>4.3. Dit behoeft in dit geval echter niet tot cassatie te leiden. Uit hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen volgt dat de Rechtbank verlof heeft kunnen verlenen tot het ter beschikking stellen van de stukken aan de Officier van Justitie met het oog op afgifte aan de Duitse autoriteiten. Daarvan uitgaande valt niet in te zien welk strafvorderlijk belang de betrokkene, die slechts stelt dat zij als gevolg van de gang van zaken een groot omzetverlies heeft geleden of nog zal lijden, heeft bij de klacht dat deze autoriteiten reeds kennis hebben kunnen nemen van de desbetreffende stukken.</para>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2006.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>