<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2006:AV7190</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:25:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AV7190</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01471/05 P</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2006:AV7190" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV7190</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2006, 385</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2006, 356</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2006, 660</rdf:li>
          <rdf:li>JOW 2006, 13</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AV7190">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AV7190</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T23:24:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2006:AV7190 Hoge Raad , 20-06-2006 / 01471/05 P</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2006:AV7190:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontnemingszaak. 1. Voordeel uit soortgelijke feiten die t.t.v. de beslissing op de ontnemingsvordering nog voorwerp waren van een afzonderlijke vervolging. Geen steun in het recht vindt de opvatting dat de enkele omstandigheid dat soortgelijke feiten t.t.v. ’s hofs beslissing op de ontnemingsvordering nog het voorwerp uitmaakten van een – afzonderlijke – strafrechtelijke vervolging, eraan in de weg staat dat het hof met het voordeel dat uit die feiten is verkregen, bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening houdt. 2. HR ambtshalve na opmerking in conclusie AG: Kennelijk bij vergissing heeft het hof een bedrag van € 226,- niet in mindering gebracht bij de schatting van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel. De HR herstelt deze misslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2006:AV7190:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>20 juni 2006</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01471/05 P</para>
      <para>PB/IC</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 december 2004, nummer 20/001359-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:</para>
      <para>[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.582,-.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.J.M. Cliteur, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voorzover het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, is vastgesteld op € 110.582,-, en voorzover voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting is opgelegd, tot bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en van het bedrag van de betalingsverplichting op € 110.356,- en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte heeft betrokken het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit feiten, soortgelijk aan die welke in de hoofdzaak tot een veroordeling hebben geleid. Het middel berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat bedoelde soortgelijke feiten ten tijde van 's Hofs beslissing op de ontnemingsvordering nog het voorwerp uitmaakten van een - afzonderlijke - strafrechtelijke vervolging, eraan in de weg staat dat het Hof met het voordeel dat uit die feiten is verkregen, bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening houdt.</para>
    <para />
    <para>3.2. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht zodat het middel faalt.</para>
    <para />
    <para>4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kennelijk bij vergissing heeft het Hof een bedrag van € 226,- niet in mindering gebracht bij de schatting van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
      <para>De Hoge Raad zal deze misslag herstellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.</para>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voorzover dit het bedrag betreft waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting zijn vastgesteld;</para>
      <para>Verstaat dat het bedrag van de betalingsverplichting € 110.356,- (éénhonderentienduizend en driehonderdzesenvijftig euro) beloopt;</para>
      <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 juni 2006.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>