<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2005:AT7063</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:22:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AT7063</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-08-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02384/04</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2005:AT7063" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT7063</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2005, 454</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AT7063">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AT7063</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T22:23:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2005:AT7063 Hoge Raad , 30-08-2005 / 02384/04</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2005:AT7063:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eisen aan verweer. Het hof behoefde het betoog van de raadsman (inhoudend een verzoek om in mitigerende zin rekening te houden met het tijdsverloop) gelet op de bewoordingen daarvan niet op te vatten als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2005:AT7063:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>30 augustus 2005</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 02384/04</para>
      <para>AGJ/AM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 maart 2004, nummer 23/001295-02, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 1 oktober 2001 - de verdachte ter zake van "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2004 gehechte pleitnota houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:</para>
      <para>"Subsidiair voor zover u wel tot een bewezenverklaring komt, verzoek ik u desalniettemin om het vonnis van de Rechtbank te vernietigen. Cliënt is een dienstverlening opgelegd van 120 uren. In mijn visie dient voor zover u tot een veroordeling komt daar een fors stuk op in mindering te komen. Ik wijs in dat verband allereerst op het feit dat cliënt first offender is. Voorts op de omstandigheden van het geval en op het tijdsverloop. De feiten zijn gepleegd op 29 augustus 1999, het vonnis van de Rechtbank is gedateerd op 1 oktober 2001, de stukken zijn bij uw Hof binnengekomen op 17 juli 2003 en de behandeling van het appèl is thans op 6 januari 2004, derhalve twee jaar en drie maanden na datum vonnis Rechtbank. Daar dient bij de straftoemeting in mijn visie rekening mee te worden gehouden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3. Het Hof behoefde het hiervoor weergegeven betoog niet op te vatten als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behandeld moet worden, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De bewoordingen van het door een raadsman geformuleerde betoog noopten daartoe niet. </para>
    <para />
    <para>3.4. Het middel mist dus feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.</para>
    <para />
    <para>4. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 30 augustus 2005.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>