<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2005:AR7606</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:33:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AR7606</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-02-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01563/04</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2005:AR7606" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7606</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARN:2004:AO3336" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AO3336</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854">Wetboek van Strafrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=45">Wetboek van Strafrecht 45</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=288">Wetboek van Strafrecht 288</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2005, 78</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2005, 202</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2005/99</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AR7606">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AR7606</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T21:40:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2005:AR7606 Hoge Raad , 01-02-2005 / 01563/04</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2005:AR7606:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voor een veroordeling t.z.v. art. 288 Sr is niet vereist dat de bewezenverklaring alle bestanddelen behelst van "het strafbaar feit" als in die bepaling bedoeld. Wel zal daarin met voldoende duidelijkheid tot uitdrukking moeten zijn gebracht op welk strafbaar feit wordt gedoeld, terwijl uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de wettelijke bestanddelen van dat feit zijn vervuld. De omstandigheid dat i.c. de bewezenverklaring, betreffende een feit waarop art. 45 (oud) Sr van toepassing is, niet inhoudt dat van vrijwillige terugtred geen sprake is geweest (hetgeen wel uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid), stond aan kwalificatie van het bewezenverklaarde als "medeplegen van doodslag vergezeld en/of vooraf gegaan van een poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken" niet in de weg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2005:AR7606:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>1 februari 2005</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01563/04 </para>
      <para>LR/IV</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 februari 2004, nummer 21/002694-03, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Arnhem" te Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 11 juni 2003 - de verdachte ter zake van "medeplegen van doodslag vergezeld en/of voorafgegaan van een poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken" veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover art. 45 Sr is aangehaald, dat bij de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 45 (oud) Sr wordt vermeld, met verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en/of de kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen is/zijn omkleed, omdat de afwezigheid van de vrijwillige terugtred niet is bewezenverklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:</para>
      <para>"Hij op 24 oktober 1985 in de gemeente Warnsveld tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een vrouw genaamd [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] van het leven heeft beroofd,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen en daar met dat opzet met (een) mes(sen), althans (een) steekvoorwerp(en), meermalen, in/op/tegen de arm en de hals(streek) en de borst en het hart en elders in/op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] gestoken en/of geprikt en/of gesneden, tengevolge van welke handeling(en) van verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde [slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] is overleden,</para>
    <para />
    <para>welke doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van na te noemen strafbaar feit, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat na te noemen feit gemakkelijk te maken,</para>
    <para />
    <para>immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) op 24 oktober 1985 in de gemeente Warnsveld </para>
    <para />
    <para>ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] (medewerkster van het Shell-tankstation) te dwingen tot afgifte van een (kluis)sleutel, geheel of ten dele toebehorende aan Shell en/of het Shell-tankstation en/of [betrokkene 2], </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>opzettelijk</para>
      <para>- zich naar het Shell-tankstation (gelegen aan de Rijksstraatweg) begeven en</para>
      <para>- de medewerkster van dat tankstation ([het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1]) in de gaten gehouden en aangesproken en</para>
      <para>- dreigend tegen die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] gezegd: "Geef de sleutels van de kluis" en "Kom op met die kankersleutels" en "Ik moet die sleutels hebben, want ik wil geld zien" en "geef de sleutels, anders gebeurt er wat met jou" en "Godverdomme kutwijf, geef nou die sleutels" en "Geef die sleutels, anders overleef je het niet", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en</para>
      <para>- (daarbij) die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] bij/aan haar kleding vastgepakt en aan de kleding en/of het lichaam van die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] gerukt en/of getrokken en getracht die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] uit de auto (waarin zij zich bevond) te trekken en</para>
      <para>- (daarbij) dreigend (een) mes(sen), althans (een) daarop gelijkend(e) voorwerp(en), aan die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] getoond en/of op die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] gericht en/of gericht gehouden en/of tegen het lichaam van die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] gezet en</para>
      <para>- met (een) mes(sen), althans (een) daarop gelijkend(e) voorwerp(en), een of meer stekende en/of prikkende en/of snijdende bewegingen naar die [het slachtoffer] e.v. [betrokkene 1] gemaakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. De bestreden uitspraak houdt in dat het bewezenverklaarde oplevert: </para>
      <para>"Medeplegen van doodslag vergezeld en/of voorafgegaan van een poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit luidde art. 45, eerste lid, Sr als volgt;</para>
      <para>"Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijn wil onafhankelijk niet is voltooid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. Het middel faalt. Voor een veroordeling ter zake van art. 288 Sr is niet vereist dat de bewezenverklaring alle bestanddelen behelst van "het strafbaar feit" als in die bepaling bedoeld. Wel zal daarin met voldoende duidelijkheid tot uitdrukking moeten zijn gebracht op welk strafbaar feit wordt gedoeld, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de wettelijke bestanddelen van dat feit zijn vervuld.</para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene stond hier de enkele omstandigheid dat de onderhavige bewezenverklaring niet inhoudt dat de uitvoering van de afpersing alleen ten gevolge van omstandigheden van verdachtes wil onafhankelijk niet is voltooid, niet aan de door het Hof aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie in de weg. Opmerking verdient dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat van vrijwillige terugtred geen sprake is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 1 februari 2005.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>