<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2004:AR4905</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:40:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AR4905</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2004-12-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01552/04 B en 01553/04 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2004:AR4905" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR4905</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=117">Wetboek van Strafvordering 117</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=119">Wetboek van Strafvordering 119</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=134">Wetboek van Strafvordering 134</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=552e">Wetboek van Strafvordering 552e</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854">Wetboek van Strafrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=36b">Wetboek van Strafrecht 36b</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2004, 696</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2006, 64</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2005/16</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AR4905">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AR4905</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T21:32:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2004:AR4905 Hoge Raad , 14-12-2004 / 01552/04 B en 01553/04 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2004:AR4905:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Door vernietiging van inbeslaggenomen voorwerpen o.g.v. een machtiging ex art. 117 Sv eindigt ex art. 134.2.c Sv het beslag. Deze beëindiging van het beslag door vernietiging staat echter niet in de weg aan onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het OM ex art. 36b.1.4 Sr. In dat geval strekt de vordering ertoe te doen vaststellen of de voorwerpen zich lenen voor onttrekking aan het verkeer. De rb heeft het OM terecht ontvangen in de vordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2004:AR4905:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>14 december 2004</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01552/04 B en 01553/04 B</para>
      <para>PB/IV</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Beschikking</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Roermond van 4 mei 2004, RK 03/377 en RK 03/378, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats] </para>
      <para>en </para>
      <para>[betrokkene 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden beschikking</para>
    <para />
    <para>De Rechtbank heeft de onder A.B. van Duinen, J.A.H. Peeters, J.C. Peeters en C.H. Rasmussen inbeslaggenomen goederen - zoals omschreven in de vordering van de Officier van Justitie van 31 oktober 2003 - aan het verkeer onttrokken verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de betrokkenen. Namens deze heeft mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. </para>
      <para>De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden de Officier van Justitie heeft ontvangen in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer en deze heeft toegewezen, aangezien ten tijde van de indiening van die vordering het beslag reeds was beëindigd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. De bestreden beschikking houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:</para>
      <para>"Daarnaast is door belanghebbenden aangevoerd dat het openbaar ministerie niet meer kan worden ontvangen in zijn vordering tot onttrekking, omdat het beslag van rechtswege beëindigd is door de vernietiging van de in beslag genomen voorwerpen. De rechtbank verwerpt ook dit verweer en wel op grond van het volgende. Het tweede lid van artikel 134 van het wetboek van strafvordering geeft limitatief aan waardoor een strafvorderlijk beslag wordt beëindigd. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 692, nr. 3, p. 17) is dit tweede lid opgenomen omdat soms ten onrechte werd gedacht dat het beslag op voorwerpen die feitelijk niet meer worden bewaard ook juridisch tot een einde is gekomen en is afgewikkeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan een "vervreemding niet om baat" zoals bedoeld in dit artikel gelet op het bepaalde in artikel 117 van het wetboek van strafvordering niet gelijk gesteld worden met een vernietiging, nu in artikel 117 een uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen vervreemding en vernietiging. Het gevolg is dat voor toepassing van de artikelen 36b tot en met 36d van het wetboek van strafrecht de inmiddels vernietigde voorwerpen geacht moeten worden nog te bestaan en dat, indien daarvan door de rechter teruggave wordt gelast terwijl deze feitelijk niet meer mogelijk is, op de voet van de artikelen 552e juncto 119 van het wetboek van strafvordering compensatie geboden is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3. Art. 134 Sv geeft aan in welke gevallen de inbeslagneming van een voorwerp eindigt. Daar de Rechtbank heeft vastgesteld dat de ingeslaggenomen voorwerpen zijn vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in art. 117 Sv, is het beslag op de voet van art. 134, tweede lid onder c, Sv beëindigd. Het andersluidende oordeel van de Rechtbank geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorzover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Dat behoeft echter op grond van het volgende niet tot cassatie te leiden.</para>
    <para />
    <para>3.4. Ingevolge art. 36b, eerste lid onder 4º, Sr kan bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen worden uitgesproken. Daaraan staat niet in de weg dat aan het beslag een einde is gekomen door vernietiging. In dat geval strekt zo'n vordering ertoe te doen vaststellen of de voorwerpen zich lenen voor onttrekking aan het verkeer. De Rechtbank heeft dus terecht het Openbaar Ministerie ontvangen in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer. </para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <para>Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel, J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2004.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>