<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2004:AP2559</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:51:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AP2559</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2004-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02903/03</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2004:AP2559" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP2559</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854">Wetboek van Strafrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=350">Wetboek van Strafrecht 350</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2004, 458</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2004, 576</rdf:li>
          <rdf:li>NbSr 2004/358</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AP2559">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AP2559</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T21:06:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2004:AP2559 Hoge Raad , 14-09-2004 / 02903/03</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2004:AP2559:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Van onbruikbaar maken ex art. 350 Sr is sprake wanneer het voorwerp, zonder het te beschadigen, onbruikbaar wordt gemaakt voor zijn bestemming. ’s Hofs oordeel dat een uit de grond getrokken paal aan zijn bestemming als onderdeel van een erfafscheiding is onttrokken, is onjuist noch onbegrijpelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2004:AP2559:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>14 september 2004</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 02903/03</para>
      <para>AGJ/SM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 mei 2003, nummer 24/170130-02, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 3 oktober 2002 - de verdachte ter zake van "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderd euro, subsidiair twee dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.A. de Boer, advocaat te Workum, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2. Bij de Hoge Raad is een schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal ingekomen.</para>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de term "onbruikbaar maakt" als bedoeld in art. 350 Sr.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.1. Overeenkomstig de tenlastelegging heeft het Hof bewezenverklaard dat de verdachte</para>
      <para>"op 21 december 2001 te IJlst in de gemeente Wymbritseradiel, opzettelijk en wederrechtelijk een paal bij een woning, gelegen aan de [a-straat] aldaar, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, onbruikbaar heeft gemaakt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2. Het Hof heeft overwogen in een in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen nadere bewijsoverweging:</para>
      <para>"Het hof is van oordeel dat uit de onderscheiden bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat de verdachte in ieder geval één paal uit de grond heeft getrokken. In het voetspoor van HR 19 oktober 1971, NJ 1972, 33 meent het hof dat deze gedraging van verdachte oplevert het "onbruikbaar maken" als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3. De in de tenlastelegging gebruikte term "onbruikbaar heeft gemaakt" is aldaar kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 350 Sr. De geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt in dat naast het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, beschadigen en wegmaken van enig geheel of ten dele aan een ander toebehorend voorwerp ook het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van zodanig voorwerp is strafbaar gesteld met het oog op de mogelijkheid een goed, zonder het te beschadigen, onbruikbaar te maken voor zijn bestemming. 's Hofs oordeel, waarin ligt besloten dat de desbetreffende paal aan zijn bestemming als onderdeel van de erfafscheiding is onttrokken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.</para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <para>Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 september 2004.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>