<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2004:AO9054</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:12:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AO9054</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2004-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C01/260HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2004:AO9054" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO9054</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=81&amp;g=2004-07-09">Wet op de rechterlijke organisatie 81</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001838&amp;artikel=146&amp;g=2004-07-09">Wetboek van Koophandel 146</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2004, 393</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2004/287</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO9054">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO9054</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T20:57:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2004:AO9054 Hoge Raad , 09-07-2004 / C01/260HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2004:AO9054:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>9 juli 2004 Eerste Kamer Nr. C01/260HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n de rechtspersoon naar Duits recht WESTDEUTSCHE LANDESBANK GIROZENTRALE, gevestigd te Düsseldorf, Duitsland, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. P. van Schilfgaarde. 1. Het geding in feitelijke instanties...</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2004:AO9054:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>9 juli 2004</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Nr. C01/260HR</para>
      <para>RM/JMH</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Eiser],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>EISER tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar Duits recht WESTDEUTSCHE LANDESBANK GIROZENTRALE,</para>
      <para>gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. P. van Schilfgaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het geding in feitelijke instanties</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Landesbank - heeft bij exploot van 24 juli 1992 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [eiser] te veroordelen aan de Landesbank te betalen de som van DM 233.015,36, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 1991 tot aan de dag der algehele voldoening en de som van DM 776.348,25, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 1991 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel de tegenwaarde van deze bedragen in Nederlands geld op de dag der betaling, alsook het bedrag van ƒ 9.122,20 vermeerderd met BTW over het uitroepgeld.</para>
      <para>De Landesbank heeft de vordering bestreden.</para>
      <para>De rechtbank heeft bij vonnis van 2 februari 1994 de vordering afgewezen.</para>
      <para>Tegen dit vonnis heeft de Landesbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.</para>
      <para>Nadat het hof bij tussenarrest van 12 maart 1997 de Landesbank in de gelegenheid had gesteld een bewijsstuk over te leggen en [eiser] in de gelegenheid had gesteld een aantal vragen te beantwoorden, heeft het hof bij tussenarrest van 26 april 2000 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van akten door partijen als vermeld in rov. 17. Hierna heeft de Landesbank bij akte haar eis verminderd zodanig, dat de hoofdsom ad DM 232.040,40 wordt verminderd tot DM 231.890,40.</para>
      <para>Bij eindarrest van 19 april 2001 heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling aan de Landesbank van:</para>
      <para>a. DM 231.890,40 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 november 1991 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel de tegenwaarde van deze bedragen in Nederlands geld op de dag der betaling;</para>
      <para>b. DM 773.506,15 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 1991 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel de tegenwaarde van deze bedragen in Nederlands geld op de dag der betaling;</para>
      <para>c. ƒ 9.122,20 vermeerderd met BTW over het uitroepgeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.</para>
      <para>De tussenarresten en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Het geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen zowel de tussenarresten als het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Landesbank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
      <para>Nadat de procedure op de voet van art. 29 F. was geschorst in verband met het feit dat [eiser] bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 januari 2003 in staat van faillissement was verklaard, hebben partijen, nadat de schorsing was opgeheven doordat het faillissement van [eiser] was geëindigd, de zaak schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.</para>
      <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van de middelen</para>
    <para />
    <para>De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>verwerpt het beroep;</para>
      <para>veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Landesbank begroot op € 4.314,19 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>