<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2003:AF9701</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-16T10:02:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AF9701</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2003-08-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00288/03 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2003:AF9701" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF9701</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2003, 661</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AF9701">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AF9701</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T11:33:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2003:AF9701 Hoge Raad , 19-08-2003 / 00288/03 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2003:AF9701:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag onder ander (beslagene) dan klagers t.z.v. verdenking van overtreding van Opiumwet, waarna strafrechter (in strafzaak tegen beslagene) geldbedrag (fl. 17.242,35) verbeurd verklaart en beslagene komt te overlijden. Rb heeft klagers, die stellen dat zij fl. 16.500 aan beslagene hebben geleend, n-o verklaard in hun klaagschrift, nu onherroepelijke beslissing van strafrechter in de weg staat aan beoordeling van klaagschrift. Kunnen klagers worden aangemerkt als belanghebbenden a.b.i. art. 552a en 552b Sv? </para>
        <para>Gelet op de in klaagschrift ingenomen stelling (geldbedrag geleend aan beslagene) kunnen klagers niet worden aangemerkt als belanghebbenden a.b.i. art. 552a dan wel 552b Sv. Klagers hebben immers door dit geldbedrag te lenen aan ander slechts vordering verkregen tot terugbetaling van bedrag van dezelfde hoogte, zodat niet gezegd kan worden dat zij aanspraak kunnen maken op afgifte van inbeslaggenomen geldbedrag (vgl. HR:2003:AF4253). Uit voorgaande volgt dat Rb de klagers terecht n-o heeft verklaard in hun klaagschrift, maar op onjuiste gronden. Nu beslissing Rb juist is, behoeven middelen, waarin wordt geklaagd dat Rb het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv en waarin voorts wordt geklaagd over verzuimen bij behandeling van klaagschrift, verder geen bespreking. </para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2003:AF9701:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>19 augustus 2003</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. 00288/03 B, 00289/03 B, 00290/03 B</para>
    <para>EW/SM</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
  <para />
  <para>Beschikking</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 5 september 2002, nummer </para>
    <para>RK 01/1141, 1142, 1143, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:</para>
    <para>
      [klager 1] , geboren op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats] , </para>
    <para>
      [klager 2] , geboren op [geboortedatum] 1965, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, en </para>
    <para>
      [klager 3] , geboren op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats] .</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. De bestreden beschikking</para>
  <para />
  <para>De Rechtbank heeft de klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun klaagschrift strekkende tot teruggave aan hen van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag.</para>
  <para />
  <para>2. Geding in cassatie</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens dezen heeft mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, bij schrifturen van gelijke strekking middelen van cassatie voorgesteld. Een schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
    <para>De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. Beoordeling van de middelen </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1.1. Het op 12 maart 2001 ter griffie van de Rechtbank ingekomen klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag en tot teruggave daarvan aan de klagers. Het klaagschrift houdt - voorzover hier van belang - het volgende in:</para>
    <para>"Klagers hebben kort voor diens aanhouding aan [betrokkene 1] ieder een geldbedrag van fl. 5.500,-- in contanten geleend, teneinde deze in staat te stellen computerapparatuur aan te schaffen."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1.2. De Rechtbank heeft de klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun klaagschrift. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:</para>
    <para>"Uit de stukken is het volgende gebleken.</para>
    <para>Op 29 maart 2001 heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de strafzaak tegen [betrokkene 1] en hem wegens overtreding van de Opiumwet veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Een onder [betrokkene 1] in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van fl. 17.242,35 is door de rechtbank verbeurd verklaard. [betrokkene 1] heeft op 13 september 2001 het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. Het vonnis is thans onherroepelijk. Op 24 maart 2002 is beslagene [betrokkene 1] overleden.</para>
    <para>Op zich is niet onaannemelijk dat [betrokkene 1] een bedrag van fl. 16.500,- heeft geleend van klagers. Bij de stukken bevindt zich een door hem ondertekende schuldbekentenis d.d. 14 november 2000 en een brief van Information Technology Applications BV d.d. 16 november 2000 met betrekking tot een levering van computerapparatuur aan [betrokkene 1] , een aanbetaling van fl. 1000,- en een resterende betaling van fl. 18.000,-.</para>
    <para>(...) </para>
    <para>De rechtbank is van oordeel, dat - wat er ook zij van de gestelde vordering van klagers op wijlen [betrokkene 1] - de hierboven weergegeven beslissing op het beslag, zijnde een onderdeel van het tegen [betrokkene 1] gewezen onherroepelijk vonnis, aan een verdere beoordeling van het klaagschrift in de weg staat en klagers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3.2. Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klagers van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag van fl. 16.500,-- dat zij aan hem hebben geleend. Gelet op die in het klaagschrift ingenomen stelling kunnen de klagers niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van art. 552a dan wel 552b Sv. Klagers hebben immers door dit geldbedrag te lenen aan [betrokkene 1] slechts een vordering verkregen tot terugbetaling van een bedrag van dezelfde hoogte, zodat niet gezegd kan worden dat zij aanspraak kunnen maken op afgifte van het inbeslaggenomen geldbedrag (vgl. HR 3 juni 2003, LJN AF4253).</para>
  <para />
  <para>3.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de Rechtbank de klagers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun klaagschrift, zij het op onjuiste gronden. Nu de beslissing van de Rechtbank juist is, behoeven de middelen, waarin wordt geklaagd dat de Rechtbank het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als een klaagschrift in de zin van art. 552b Sv, en waarin voorts wordt geklaagd over verzuimen bij de behandeling van het klaagschrift, verder geen bespreking.</para>
  <para />
  <para>4. Slotsom</para>
  <para />
  <para>Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat het beroep moet worden verworpen. </para>
  <para />
  <para>5. Beslissing</para>
  <para />
  <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep. </para>
  <para />
  <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2003.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>