<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2002:AE6597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-10T12:27:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AE6597</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL6678</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2002-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02440/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2002:AE6597" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE6597</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=515">Wetboek van Strafvordering 515</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=518">Wetboek van Strafvordering 518</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AE6597">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AE6597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-02T17:00:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2002:AE6597 Hoge Raad , 15-10-2002 / 02440/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2002:AE6597:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Reizen zonder geldig vervoerbewijs (meermalen gepleegd), art. 30.1 Wet personenvervoer. Ongegrondverklaring wrakingsverzoek door wrakingskamer Rb. Dient rechter wiens wraking is verzocht bij behandeling van wrakingsverzoek aanwezig te zijn? Volgens art. 518.3 Sv staat tegen beslissing op wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open, zodat in cassatie niet kan worden geklaagd over wijze waarop die beslissing tot stand is gekomen.</para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2002:AE6597:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>15 oktober 2002</para>
    <para>Strafkamer</para>
    <para>nr. 02440/01</para>
    <para>EW/SM</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 22 september 2000, nummer 10/654569-97, in de strafzaak tegen:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te <emphasis role="underline">[woonplaats]</emphasis>.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. De bestreden uitspraak</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 1 september 1998 - de verdachte ter zake van 1., 2. en 3. telkens opleverende: "niet naleving van het bepaalde bij artikel 30, eerste lid van de Wet personenvervoer" veroordeeld tot telkens een geldboete van ƒ 120,--, subsidiair twee dagen hechtenis.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Geding in cassatie</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    <para>De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voorzover het betreft de opgelegde straffen, deze zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Beoordeling van het eerste middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.2. De verdachte heeft op 22 september 2000 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 16 november 2001 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. </para>
    <para>De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 15 oktober 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.</para>
    <para>Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Beoordeling van het elfde middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2000 houdt in dat de verdachte de zittende rechter, mr. Klein Wolterink, wraakt.</para>
    <para>Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoort een beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in art. 515 Sv, waarbij het verzoek om wraking ongegrond is verklaard. </para>
    <para>Die beslissing houdt onder meer in:</para>
    <para>"De rechtbank heeft verzoeker en mr. Klein Wolterink in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de rechtbank op 21 april 2000. Verzoeker heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.</para>
    <para>Mr. Klein Wolterink heeft schriftelijk te kennen gegeven niet van die gelegenheid gebruik te zullen maken."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4.2. Het middel klaagt erover dat de rechter wiens wraking is verzocht niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig is geweest.</para>
  <para />
  <para>4.3. De klacht treft geen doel, omdat volgens art. 518, derde lid, Sv tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open staat, zodat in cassatie niet kan worden geklaagd over de wijze waarop die beslissing is totstandgekomen. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Beoordeling van de overige middelen</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">7. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Hoge Raad:</para>
    <para>Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de drie opgelegde geldboetes en de duur van de vervangende hechtenis;</para>
    <para>Vermindert de geldboetes in die zin dat deze telkens bedragen € 49,-;</para>
    <para>Vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze telkens één dag beloopt;</para>
    <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en E.J. Numann, in bijzijn van de waar-nemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op <emphasis role="underline">15 oktober 2002</emphasis>.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>