<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2002:AD7801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T12:15:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AD7801</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2002-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03316/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2002:AD7801" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD7801</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008798&amp;artikel=12&amp;g=2002-02-12">Regeling bloed- en urineonderzoek 12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006622&amp;artikel=8&amp;g=2002-02-12">Wegenverkeerswet 1994 8</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AD7801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AD7801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T17:30:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2002:AD7801 Hoge Raad , 12-02-2002 / 03316/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2002:AD7801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2002:AD7801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12 februari 2002</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 03316/00</para>
      <para>LR/LD</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrest</para>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 april 2000, nummer 22/002317-99, in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.  De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <para> Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 september 1999 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 1200,--, subsidiair 24 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.</para>
    <para />
    <para>2.Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.M. Sjöcrona en mr. D.V.A. Brouwer, </para>
      <para>beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een </para>
      <para>middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <para>3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring, voorzover deze behelst dat het alcoholpromillage van verdachte bij een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 hoger was dan een 0,5 milligram per milliliter bloed, ontoereikend is gemotiveerd omdat één van de strikte waarborgen waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omgeven, niet is nageleefd. </para>
    <para />
    <para>3.2. Volgens de toelichting op het middel, dat voort- bouwt op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, bestaat het gebrek hierin dat de arts die de verdachte heeft onderzocht en bij haar bloed heeft afgenomen, de op het formulier als bedoeld in art. 12 van de Regeling bloed- en urineonderzoek vermelde vraag "Zijn er aanwijzingen voor het bestaan van bepaalde oorzaken (hersenschudding, geestesstoornis, drugs, medicatie)?" ten onrechte met "neen" heeft beantwoord, omdat de verdachte bij het verhoor door de politie te kennen heeft gegeven medicijnen te hebben gebruikt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Het desbetreffende formulier 'aanvraag van de bepaling van alcohol en/of andere stoffen in bloed' houdt onder meer als door de arts te beantwoorden vraagstelling in:</para>
      <para>"Gang: zeker/onzeker na omdraaien: zeker/onzeker</para>
      <para>Gedrag: beheerst/ontremd/duf,suf</para>
      <para>Oriëntatie: (...)</para>
      <para>Zijn er aanwijzingen voor het bestaan van bepaalde oorzaken (hersenschudding, geestesstoornis, drugs, medicatie)? (...)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Aan het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat het antwoord op de bedoelde vraag, die enkel de mogelijke oorzaken van het onderzochte gedrag betreft, van belang is voor de (wijze van) bepaling van het </para>
      <para>alcoholgehalte van het bloed door het Gerechtelijk Laboratorium. Die veronderstelling vindt geen steun in de Wegenverkeerswet 1994 en de daarop gebaseerde regelgeving. Daarom faalt het middel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Slotsom </para>
    <para />
    <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>5. Beslissing </para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 12 februari 2002.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>