<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2001:AA9899</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:03:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9899</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R00/047HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2001:AA9899" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9899</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 103</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/50</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AA9899">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AA9899</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2001:AA9899 Hoge Raad , 09-02-2001 / R00/047HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2001:AA9899:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2001:AA9899:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>9 februari 2001</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Rek.nr. R00/047HR </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Beschikking</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <para>[De vrouw], wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>VERZOEKSTER tot cassatie,</para>
    <para />
    <para>advocaat: mr. J.H.F. van Schultz van Haegen,</para>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <para>[De man], wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. G. Janssen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het geding in feitelijke instanties</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een verzoek tot echtscheiding  en verzoeken tot het daarbij treffen van nevenvoorzieningen is bij beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 16 september 1998 tussen verweerder in cassatie  - verder te noemen: de man - en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - echtscheiding uitgesproken en is voorts onder meer de behandeling omtrent een ten laste van de man en ten behoeve van de vrouw vast te stellen uitkering tot levensonderhoud aangehouden.  </para>
      <para>Bij beschikking van 17 februari 1999 heeft de Rechtbank daaromtrent bepaald dat de man ƒ 3.000,-- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar   levensonderhoud vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding.</para>
      <para>Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De man heeft daarbij verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen, dat de man als uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding zal betalen een bedrag van ƒ 2.850,-- per maand gedurende vijf jaar en een bedrag van ƒ 2.000,-- per maand voor de zeven daaropvolgende jaren.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en heeft daarbij verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man een uitkering tot haar levensonderhoud dient te betalen van  ƒ 5.361,-- per maand.</para>
      <para>Bij beschikking van 10 februari 2000 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd en het meer of anders  verzochte afgewezen. </para>
      <para>De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Het geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De man heeft verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen.</para>
      <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.</para>
      <para>Partijen zijn op 22 december 1993 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 1995 een dochter  geboren. Tussen partijen is bij beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 16 september 1998 echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is in de daartoe bestemde registers ingeschreven op 11 december 1998.</para>
      <para>Voor de omschrijving van het tussen partijen bestaande geschil verwijst de Hoge Raad naar hetgeen daaromtrent in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 1), tweede en derde alinea, is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>3.2 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het Hof kennelijk ervan is uitgegaan dat de hypotheeklasten met betrekking tot de door de vrouw bewoonde woning ten bedrage van ƒ 2.361,-- per maand voor rekening komen van de vrouw. Zulks volgt al dadelijk hieruit dat het Hof in zijn rov. 3.8 heeft vermeld dat het geen rekening houdt met de woonlasten van de vrouw voorzover deze ƒ 2.361,-- per maand te boven gaan, nu het meerdere gelet op haar persoonlijke omstandigheden een redelijke woonlast te boven gaat. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3 Het Hof heeft, naar volgt uit hetgeen het in zijn rov. 3.8 heeft overwogen, rekening gehouden met de woonlasten van de vrouw. Het heeft voorts, naar blijkt uit zijn rov. 2.3 en 2.4, alle andere gegevens betreffende de draagkracht van de man en die betreffende de behoefte van de vrouw, die het bij de vaststelling van de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw van belang achtte, in zijn beschikking vermeld. </para>
      <para>'s Hofs beslissing met betrekking tot de door de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkering berust op een afweging van de door partijen met het oog op hun draagkracht, onderscheidenlijk behoefte, naar voren gebrachte omstandigheden. Zij is, gelet op de daaraan in een geval als het onderhavige te stellen motiveringseisen, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarop stuiten alle in het middel vervatte klachten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep. </para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren C.H.M. Jansen, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 februari 2001.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>