<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA8200</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:05:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA8200</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01227/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA8200" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8200</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001941&amp;artikel=3&amp;g=2000-11-07">Opiumwet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 562</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 738</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA8200">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA8200</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA8200 Hoge Raad , 07-11-2000 / 01227/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA8200:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA8200:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>7 november 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01227/99</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van </para>
      <para>10 december 1998 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven </para>
      <para>beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te </para>
      <para>[woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden einduitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een von-nis van de </para>
      <para>Politierechter in de Arron-disse-ments-rechtbank te Zwolle van 10 november 1997 - </para>
      <para>de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, </para>
      <para>eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een </para>
      <para>geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, met verbeurd-</para>
      <para>verklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L. de Leon, </para>
      <para>advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur </para>
      <para>is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge </para>
      <para>Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het </para>
      <para>Gerechtshof te Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te </para>
      <para>worden berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Naar de Hoge Raad begrijpt, beoogt het middel te klagen over ’s Hofs </para>
      <para>verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de </para>
      <para>strafvervolging dient te worden verklaard wegens schending van het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voor wat betreft </para>
      <para>het door de verdediging gevoerde verweer in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Het openbaar ministerie doorkruist door in de onderhavige zaak te vervolgen het </para>
      <para>volgens de landelijke richtlijn geldend algemeen gedoogbeleid ten aanzien van </para>
      <para>coffeeshops. In deze richtlijn is immers bepaald dat in beginsel niet strafrechtelijk </para>
      <para>zal worden opgetreden tegen coffeeshops met een handelsvoorraad beneden de </para>
      <para>500 gram. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat in de gemeente Kampen is </para>
      <para>geopteerd voor de zogenaamde nul-optie. De drugsnota die de gemeente Kampen </para>
      <para>in de zomer van 1997 had zullen publiceren is nog niet verschenen. Nu de</para>
      <para>gemeente Kampen niet zichtbaar voor de nul-optie heeft gekozen, is de algemene </para>
      <para>richtlijn van toepassing en aangezien is voldaan aan de voorwaarden waaronder </para>
      <para>niet strafrechtelijk zal worden opgetreden, dient het openbaar ministerie in zijn </para>
      <para>vervolging niet-ontvankelijk te worden verklaard. </para>
      <para>Mijn cliënt houdt zich aan het landelijk gedoogbeleid. Hij heeft zijn coffeeshop </para>
      <para>sinds 18 december 1996 ongehinderd kunnen blijven exploiteren en daaruit mag </para>
      <para>een “gedogen” worden afgeleid”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3. In zijn arrest heeft het Hof dit verweer als volgt verworpen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“De raadsman heeft de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging </para>
      <para>bestreden op grond dat de vervolging het volgens de landelijke richtlijn geldende </para>
      <para>gedoogbeleid zou doorkruisen. </para>
      <para>Het hof verenigt zich daarmee niet. Er bestaat geen landelijk gedoogbeleid ten </para>
      <para>aanzien van de exploitatie van zogenaamde coffeeshops. De landelijke richtlijn </para>
      <para>(waarmee kennelijk bedoeld is de “Richtlijnen voor het opsporings- en </para>
      <para>strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet” hierna “de </para>
      <para>richtlijnen”) geeft in haar inleiding integendeel met zoveel woorden aan dat het </para>
      <para>beleid met betrekking tot de coffeeshops wordt bepaald in het lokale </para>
      <para>driehoeksoverleg.</para>
      <para>Voorzover de richtlijnen al iets gedogen is dat niet de exploitatie van coffeeshops, </para>
      <para>maar de vaststelling van lokaal gedoogbeleid. Onder bepaalde voorwaarden </para>
      <para>(waarvan het hof aanneemt dat verdachte eraan voldoet) zal volgens punt 3.3 van </para>
      <para>de richtlijnen niet strafrechtelijk worden opgetreden tegen coffeeshops die op </para>
      <para>grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd.</para>
      <para>Aan die laatste voorwaarde is in elk geval niet voldaan. Van de zijde van het </para>
      <para>openbaar ministerie is betoogd dat het lokale driehoeksoverleg te Kampen tot een </para>
      <para>nul-optie is gekomen. Van de zijde van de verdediging is dat bestreden met het </para>
      <para>betoog dat van die nul-optie dan toch iets gepubliceerd zou moeten zijn. Wat </para>
      <para>daarvan ook zij, de verdediging heeft niet aangevoerd en er is ook geen enkele </para>
      <para>andere reden voor de veronderstelling dat te Kampen een beleid vastgesteld zou </para>
      <para>zijn op grond waarvan de onderhavige coffeeshop gedoogd zou worden. Bij </para>
      <para>gebreke daarvan verzetten de richtlijnen zich niet tegen de onderhavige vervolging.</para>
      <para>De verdediging heeft nog aangevoerd dat te Kampen feitelijk een gedoogbeleid </para>
      <para>geldt nu verdachte zijn coffeeshop sinds 18 december ongehinderd heeft kunnen </para>
      <para>blijven exploiteren. Daaruit mag volgens de verdediging een “gedogen” worden </para>
      <para>afgeleid. Ook daarmee verenigt het hof zich niet. Met de onderhavige vervolging </para>
      <para>heeft het openbaar ministerie duidelijk te kennen gegeven dat het verdachtes </para>
      <para>coffeeshop helemaal niet wenst te gedogen en aan die duidelijkheid wordt niet </para>
      <para>afgedaan door het feit dat men in afwachting op een eindbeslissing op die </para>
      <para>vervolging geen verdere maatregelen heeft genomen”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4 Op grond van het onder 3.3 overwogene moet er in cassatie van worden </para>
      <para>uitgegaan dat de gemeente Kampen geen beleid heeft vastgesteld met betrekking </para>
      <para>tot het gedogen van de handel in soft drugs in zogenaamde coffeeshops.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. De hier toepasselijke “Richtlijnen opsporings- en vervolgingsbeleid strafbare </para>
      <para>feiten Opiumwet” (Stcrt. 1996, nr. 187), hierna aan te duiden als de richtlijnen, </para>
      <para>luiden, voorzover nu van belang, als volgt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"In de derde plaats is de richtlijn aangepast op het punt van de coffeeshops. </para>
      <para>(Behalve ...) is thans nadrukkelijker dan voorheen aangegeven dat het beleid met </para>
      <para>betrekking tot de coffeeshops wordt bepaald in het lokale driehoeksoverleg, </para>
      <para>uiteraard binnen de kaders van de richtlijn. Dat kan ook inhouden dat in een </para>
      <para>bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops worden gedoogd. Als </para>
      <para>coffeeshops zich toch in de gemeente vestigen, kan het OM optreden, ook als de </para>
      <para>AHOJ-G criteria niet overtreden worden. Overigens is het niet zo dat de lokale </para>
      <para>nuloptie door optreden van het OM alleen gehandhaafd dient te worden. </para>
      <para>(...)</para>
      <para>In de inleiding is al opgemerkt dat in het lokale driehoeksoverleg kan worden </para>
      <para>afgesproken dat in een bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops</para>
      <para>worden gedoogd.</para>
      <para>Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid </para>
      <para>samen met de lokale autoriteiten. In het kader van een in de lokale driehoek </para>
      <para>gezamenlijk uit te werken integraal beleid ten aanzien van coffeeshops, dient tot </para>
      <para>een evenwichtige inzet van de verschillende beheersinstrumenten te worden </para>
      <para>gekomen.</para>
      <para>Een actieve rol vanuit het OM geeft het signaal dat justitie het belang van de </para>
      <para>aanpak onderschrijft, de bestuurlijke aanpak strafrechtelijk ondersteunt en haar </para>
      <para>eigen verantwoordelijkheid daarin neemt.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Als de driehoek heeft gekozen voor de zogenoemde nuloptie, kan ook zonder </para>
      <para>overschrijding van bovenstaande criteria strafrechtelijk worden opgetreden tegen </para>
      <para>coffeeshops die zich toch in de gemeente vestigen. Het sluiten van een </para>
      <para>coffeeshop is voorbehouden aan het lokale bestuur”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6. De richtlijnen houden in dat in het kader van in het zogenaamde </para>
      <para>driehoeksoverleg uit te werken beleid per gemeente kan worden besloten onder </para>
      <para>bepaalde in de richtlijnen aangeduide voorwaarden niet strafrechtelijk op te treden </para>
      <para>tegen coffeeshops. Nu de richtlijnen te dien aanzien niets inhouden moet worden </para>
      <para>aangenomen dat bij gebreke van een dergelijk gedoogbeleid wel strafrechtelijk kan </para>
      <para>worden opgetreden tegen coffeeshops, ongeacht op welk tijdstip die in de </para>
      <para>gemeente zijn gevestigd. Daarbij maakt het geen verschil of die coffeeshops zich </para>
      <para>houden aan de in de richtlijnen aangeduide voorwaarden. Die spelen pas een rol </para>
      <para>als besloten is coffeeshops te gedogen. Door te overwegen als hiervoor onder 3.3 </para>
      <para>weergegeven, heeft het Hof een en ander niet miskend. Daarom faalt het middel </para>
      <para>dat van een tegengestelde opvatting uitgaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het middel klaagt over een beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen </para>
      <para>voordeel. Een dergelijke beslissing komt evenwel in de bestreden uitspraak niet </para>
      <para>voor, zodat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan </para>
      <para>leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden terwijl de Hoge Raad ook geen </para>
      <para>grond aanwezig oordeelt waarop het bestreden arrest ambtshalve zou behoren te </para>
      <para>worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de </para>
      <para>raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 7 november 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>