<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7960</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T07:38:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7960</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01997/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7960" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7960</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=41&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 41</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=41&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 41</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 542</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 11 met annotatie van J. de Hullu</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7960">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7960</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7960 Hoge Raad , 31-10-2000 / 01997/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7960:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7960:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>31 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01997/99</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van </para>
      <para>23 juli 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven </para>
      <para>beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1975, </para>
      <para>wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie </para>
      <para>verblijvende in de Penitentiaire Inrichting “Almere Binnen” te Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden einduitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de </para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 december 1998, voorzover aan </para>
      <para>‘s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. primair “doodslag”, 2. </para>
      <para>primair “poging tot doodslag” en 3. primair “diefstal” veroordeeld tot tien jaren </para>
      <para>gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. </para>
      <para>Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege </para>
      <para>als in het arrest vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. </para>
      <para>Moszkowicz sr., advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie </para>
      <para>voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het </para>
      <para>beroep zal verwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de </para>
      <para>verwerping door het Hof van het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2. Het Hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer 2] het gevolg was van een </para>
      <para>ongeluk: [slachtoffer 2] liep zelf in het mes. Nu dit kennelijk de beleving van </para>
      <para>verdachte is geweest omtrent de gang van zaken, kan hij niet tevens de intentie </para>
      <para>gehad hebben uit noodweer te handelen. De bij noodweer behorende psychische </para>
      <para>gesteldheid is immers onverenigbaar met een ongeluk. Dat voormelde verklaring </para>
      <para>van verdachte geen geloof verdient, doet aan het voorgaande niet af. Reeds op die </para>
      <para>grond dient het beroep op noodweer te worden verworpen.</para>
      <para>Maar ook overigens faalt het verweer. Na de eerste gewelddadige gedraging had </para>
      <para>verdachte rekening kunnen en moeten houden met een reactie, mogelijk zelfs  </para>
      <para>één van dreigende of gewelddadige aard, van de zijde van het personeel in de </para>
      <para>werkplaats of van eventuele andere omstanders. Door met het mes in zijn hand </para>
      <para>voor de winkel te blijven staan met zijn gezicht in de richting van de toegangsdeur </para>
      <para>van de werkplaats, heeft verdachte bevorderd dat de reactie van de monteurs uit </para>
      <para>de werkplaats ook daadwerkelijk dreigend van aard zou worden. Aldus heeft </para>
      <para>verdachte een zelfstandige en aanzienlijke bijdrage geleverd aan de toen ontstane </para>
      <para>dreiging, terwijl voor de verdachte mogelijkheden bestonden om de dreiging te </para>
      <para>keren. Dit spreekt te meer daar uit verdachtes verklaring, afgelegd in hoger </para>
      <para>beroep, blijkt dat hij zich onmiddellijk na het steken van [slachtoffer 1] realiseerde </para>
      <para>wat hij had gedaan. Hij had de situatie kunnen en behoren te deëscaleren door, </para>
      <para>bijvoorbeeld, één of meer stappen achteruit te doen of het mes op de grond te </para>
      <para>laten vallen, dan wel door iets te zeggen. Hij heeft dit alles echter nagelaten. </para>
      <para>Tenslotte had hij de (dreiging met een) aanval kunnen ontwijken, bijvoorbeeld - </para>
      <para>door in plaats van te steken - zich af te wenden of te bukken.</para>
      <para>Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden </para>
      <para>aannemelijk geworden die het beroep op noodweer rechtvaardigen”.</para>
      <para>Voorts heeft het Hof op blz. 4 onder het hoofd “de strafbaarheid van de verdachte” </para>
      <para>geoordeeld: “Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het verweer op noodweer </para>
      <para>is overwogen, behoeven de verweren ten aanzien van noodweerexces en putatief </para>
      <para>noodweer geen bespreking”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. In de bestreden uitspraak heeft het Hof vastgesteld:</para>
      <para>- dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] voor zijn fietsenwinkel in </para>
      <para>Amsterdam met een mes, dat hij in zijn broek had zitten, heeft gestoken - </para>
      <para>hetgeen letsel aan dunne en dikke darm heeft veroorzaakt - omdat de verdachte, </para>
      <para>naar zijn zeggen geïrriteerd was geraakt door het gedrag van [slachtoffer 1];</para>
      <para>- dat de verdachte, nadat hij [slachtoffer 1] had gestoken, voor de winkel bleef </para>
      <para>staan met het mes in zijn had en met zijn gezicht in de richting van de </para>
      <para>toegangsdeur van de werkplaats;</para>
      <para>- dat drie personeelsleden van [slachtoffer 1], onder wie het latere slachtoffer </para>
      <para>[slachtoffer 2], vanuit de werkplaats op de verdachte toestormden, waarbij </para>
      <para>[slachtoffer 2] met een driepoot naar de verdachte een dreigend gebaar maakte en </para>
      <para>dat de verdachte op het moment dat die personeelsleden hem wilden pakken </para>
      <para>[slachtoffer 2] met het mes in de borst heeft gestoken, tengevolge van welke </para>
      <para>steekwond [slachtoffer 2] is overleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. In de overwegingen van het Hof die volgen op zinsnede “Ook overigens faalt </para>
      <para>het verweer” ligt als zijn oordeel besloten dat van een noodweersituatie geen </para>
      <para>sprake was - en dat de verdachte ook niet kon menen dat dat het geval was - </para>
      <para>omdat hij door [slachtoffer 1] met een mes te steken en daarna voor de winkel te </para>
      <para>blijven staan met het mes in zijn hand en met het gezicht naar de toegangsdeur </para>
      <para>van de werkplaats, zich willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarin de </para>
      <para>dreigende reactie van [slachtoffer 2] te verwachten was.</para>
      <para>Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin </para>
      <para>onbegrijpelijk is.</para>
      <para>Het draagt de verwerping van het beroep op noodweer en putatief noodweer </para>
      <para>zelfstandig, zodat de middelen buiten bespreking moeten blijven voorzover zij zich </para>
      <para>richten tegen hetgeen het Hof overigens ter verwerping van die verweren heeft </para>
      <para>geoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. Uit het in cassatie te respecteren oordeel van het Hof dat van een </para>
      <para>noodweerstituatie geen sprake was vloeit voort dat het beroep op noodweerexces </para>
      <para>door het Hof terecht is verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.6. De middelen zijn dus tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het derde middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het middel klaagt dat het Hof het onder 2 bewezenverklaarde feit ten onrechte </para>
      <para>heeft gekwalificeerd als “poging tot doodslag”. Het berust klaarblijkelijk op de </para>
      <para>opvatting dat voor een veroordeling ter zake van poging tot misdrijf is vereist dat de </para>
      <para>bewezenverklaring inhoudt dat het misdrijf niet is voltooid.</para>
      <para>Die opvatting is, gelet op het bepaalde in art. 45 Sr, onjuist, zodat het middel </para>
      <para>faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Beoordeling van het vierde middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen </para>
      <para>nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in </para>
      <para>het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen </para>
      <para>grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren </para>
      <para>te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de </para>
      <para>raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie en A.M.J. van Buchem-</para>
      <para>Spapens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober</para>
      <para> 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>